LEVENSVERHAAL VAN TINY JAGERMAN.



(Naar Engelse versie.)

(Naar homepage.)

(Verkorte Nederlandse versie met plaatjes.)

 

Dit levensverhaal is door Tante Tiny in het engels opgetekend voor haar kinderen en kleinkinderen. Hierin komen dan ook wat verklaringen voor van gezegdes en gewoontes in het Nederlands, die - zeker voor haar kleinkinderen, die het Nederlands immers niet meer beheersen - van belang zijn.

Wij hebben van haar een kopie gekregen omdat dit verhaal ook voor ons heel interessant is. Zo wordt in dit verslag een goed beeld gegeven van de kindertijd en latere jeugd van Mama, van het leven van Opa en Oma Jagerman en niet te vergeten van haar twee broers, Oom Joh en Oom Jacques.

Vertaling: Emmy Vermeulen - Hulscher,

dochter van To Hulscher-Jagerman en Louis Hulscher.

.-.-.-.-.-.

Ik heb besloten alles op te schrijven wat ik me kan herinneren van mijn jeugd en latere jaren als kind, jonge vrouw, echtgenote, moeder en nu grootmoeder. De vroegste herinneringen zullen nogal vaag en beperkt zijn; soms weet je ook niet meer of je iets zelf hebt meegemaakt of dat iets je steeds maar weer door anderen is verteld.

Ik ben geboren op 27 april 1917 (en ik weet me hiervan niets te herinneren, hoewel ik er wel bij was!) op het Haarlemmerplein in Amsterdam.

Mijn vader (Pa) was Paul Jagerman , zoon van een zakenman die met weinig begon en eindigde met drie winkels.

Paul Jagerman was blikslager die werkte voor zijn vader.

Mijn moeder (Moe) was Joanna Beynes . Haar vader werkte als ingenieur in de bruggenbouw. Door zijn werk verhuisde de familie van hot naar her en mijn moeder heeft in verschillende plaatsen door het hele land gewoond.

Pa heeft de lagere school tot en met de 6e klas afgemaakt, maar Moe kwam niet verder dan de 3e klas. Pa verdiende ¦ 12,- per week toen hij trouwde.

Toen grootvader besloot met werken te stoppen, werden de drie winkels overgedragen aan zijn drie zoons. Zij moesten de vierde zoon uitkopen omdat die geen winkelier wilde worden en in plaats daarvan directeur van een begrafenisonderneming werd.

De winkel van mijn vader - op de hoek van het Haarlemmerplein en de Korte Marnixstraat - was maar klein, met woonruimte erachter. Pa moest ¦ 4.000,- voor de winkel betalen aan zijn vader en hij betaalde dat bedrag binnen twee jaar af uit de winst.

De zaak verkocht aardewerk, keukengerei, fornuizen, verwarmingen, elektrische apparatuur, nikkelwaar enz. Pa en Moe werkten hun hele leven zeer hard en de zaak liep goed. Hij kon worden uitgebreid door de aankoop van een aangrenzende bioskoop, terwijl ook de woningen boven de zaak werden gekocht.

Ik herinner mij Moe, al met grijs haar, zittend in haar kleine kantoortje met ramen rondom, geld ontvangend, bonnen schrijvend, pratend met klanten en ondertussen alles ook nog in de gaten houdend.

Zij was eigenlijk degene die de zaak runde. Pa bleef altijd op de achtergrond; hij was geen zakenman. Hij werkte met zijn handen, hij voerde reparaties uit en zorgde voor verbeteringen aan het pand.

Moe kocht in, stelde prijzen vast en bepaalde de verkoopstrategie.

Verscheidene personeelsleden werden aangesteld en ik heb nog steeds een aan mij gestuurde briefkaart van een van hen.

Mijn broers Jacques en Joh werkten ook in de zaak, en in de Sinterklaastijd als het erg druk was werden To - die in die tijd hoogstens een jaar of 14, 15 geweest moet zijn - en Siny te hulp geroepen.

Er zijn kleine dingen die ik me uit die tijd herinner: het uitzicht op het "Plein", het voorbijkomen van Sinterklaas en Zwarte Piet in een rijtuig met rennende en schreeuwende kinderen ernaast.

Ik herinner me de 25-jarige bruiloft van mijn ouders (ik was toen pas 3½ jaar) en ik heb nog een beeld in mijn hoofd van Siny die door een paar jonge mannen op de schouders werd genomen. Ik wist niet dat dit allemaal "voor de lol" was en ik gilde omdat ik dacht dat ze haar pijn deden (zij schreeuwde waarschijnlijk ook!).

Ik was erg gek op Siny, die - omdat haar ouders, die vrienden waren van mijn ouders, gestorven waren - heel vaak bij ons over de vloer kwam waardoor ik haar als een zus beschouwde, wat ze uiteindelijk ook werd toen ze met mijn broer Jacques trouwde. Maar Jacques en Siny waren 20 jaar ouder dan ik.

Toen Siny en Jacques trouwden woonden zij in één van de woningen boven de winkel en ik herinner me dat ik daar 's avonds voor het raam achter de gordijnen naar de lichtjes op het Plein stond te kijken. Daar was een man die Berliner bollen verkocht. Hij duwde zijn kleine karretje voort en schreeuwde: "Verse Berliner bollen!". Siny zei altijd dat hij schreeuwde: "Verse Berliner bol, koop ze niet want ze zijn hol". Maar dat geloofde ik niet echt.

Aan de overkant van het Plein was een aanplakbord met een advertentie van Ripolin verf. Een man met een kwast in zijn hand en een strooien hoedje op zijn hoofd schilderde het woord "Ripolin" op de rug van een man voor hem. Mannetje na mannetje die eindeloos hetzelfde deden. Zou er ooit een eind komen aan dit proces? Hoeveel mannetjes zouden er zijn? Het was hetzelfde als met de cacaobusjes van Van Houten.

Een verpleegster die een busje "Van Houten's Verpleegster Cacao" in haar hand heeft; op die bus weer een verpleegster met een bus, enz., enz. Ik werd erg geboeid door dat soort dingen.

Siny had een nichtje Annie dat één jaar jonger was dan ik. Ik noemde Siny altijd bij haar voornaam want zij was tenslotte mijn schoonzuster, maar Annie moest "tante" zeggen. Annie smeekte haar tante altijd om haar ook "Siny" te mogen noemen als wij daar samen waren.

Het was in die periode dat Joh (die altijd grootse ideeën had) van mening was dat wat de katholieke gemeenschap in de parochie nodig had een katholieke bibliotheek was. Dus hij kocht een heleboel boeken en opende in een kamer in de Korte Marnixstraat een bibliotheek, genaamd "Inter Nos".

Jaren en jaren later hadden wij nog steeds boeken (die ik allemaal las)van deze bibliotheek in huis, want het hele avontuur was een flop zoals zo vele dingen die Joh ondernam. Hij richtte ook een muziekclubje op: piano, cello en viool. Hijzelf speelde viool. Maar ook dat was geen lang leven beschoren.

In het begin van de twintiger jaren - die bekend stonden als de crisisjaren - had Pa zwaar geïnvesteerd in een nieuw op te zetten bank. Deze bank ging echter failliet waardoor hij een heleboel geld verloor.

Er werd besloten dat Pa en Moe zouden stoppen met werken en dat de twee zoons de zaak zouden overnemen. Zij waren toen pas 22 en 26 jaar en ik kan nu nog niet begrijpen hoe zij deze beslissing destijds hebben kunnen nemen. Zoals al snel bleek ging - door hun onervarenheid, hun onvermogen om met elkaar samen te werken en tenslotte de regressie - de hele zaak op de fles.

 

Maar voordat dit alles gebeurde verhuisden wij naar Bussum. Pa had toen nog genoeg geld en besloot een villa te kopen in Bussum. Hij betaalde er ¦ 25.000,- voor, wat in die dagen een hoop geld was!

Hij investeerde ook geld in de bouw van 13 huizen in Hilversum met het idee dat dit hem een inkomen zou opleveren. Er kwam echter de klad in de huizenbusiness en de huizen stonden meer leeg dan dat ze bewoond werden. Al na een paar jaar ging de zaak in Amsterdam failliet. Pa moest zowel de huizen in Hilversum als de villa in Bussum verkopen.

Van zijn laatste geld verhuisde hij de hele familie (incl. Jacques en Siny) naar Zandvoort. Dit was slechts een tijdelijke maatregel met als doel wat tijd te rekken om te bedenken hoe het nu verder moest.

Het huis in Bussum staat er nog steeds: Nieuwe Hilversumseweg 52 en ik zag het weer in 1979. Het moet in 1922 geweest zijn dat Pa deze villa kocht.

Jacques en Siny trouwden toen wij in Bussum woonden. Ik heb nog steeds een foto van het diner, maar verder kan ik me er niet veel van herinneren. Ik heb een brief van Moe, waarin ze Jacques schrijft dat zij en Pa hadden besloten de huur van de auto voor hun rekening te nemen om hen van Bussum naar Amsterdam te rijden: "Je gaat fijn in een luxe auto van Bussum naar Amsterdam!"

Zoals gezegd, Siny en Jacques gingen boven de winkel op het Plein in Amsterdam wonen.

Omdat veel van onze relaties in de stad woonden, hadden we vaak gasten. Vooral met Kerstmis was het huis altijd vol.

Ik herinner me nog de keer dat Moe's zuster, tante Anna, kwam logeren, terwijl er ook nog andere logées waren. Het was een witte Kerst met een dik pak sneeuw in de tuin. Mijn broers hadden een bobslee die met een touw voortgetrokken moest worden. Liefhebbers voor een ritje mochten mee en werden na een wilde tocht langs bochten en kuilen uiteindelijk gedropt in de sneeuw. Ook Tante Anna werd overgehaald een ritje te maken, maar direct al na de start lag zij languit in de sneeuw.

Moe - zich altijd meer bewust van haar waardigheid - keurde dergelijk gedrag af. Ik was altijd blij als Tant Anna kwam omdat zij vaak een rolletje chocolaatjes, "Bensdorps Melkmeisje", voor me meebracht.

Eén van Pa's zusters, Tante Riek, kwam ook zo nu en dan. Zij was huishoudster bij een pastoor in een parochie op het platteland. Als zij kwam bracht zij voor To en mij altijd een zak vol "bruidssuikers" mee die door bruidsparen werden gegeven aan de misdienaars. Soms had zij meer bruidssuikers dan misdienaars; ze bewaarde het lekkers dan voor haar neefjes en nichtjes. Dit was voor ons altijd een groot feest!

In Bussum hadden wij ook een hond. Ik ben altijd erg dol geweest op dieren en of het nu voor mijn plezier was of om een andere reden, ik weet het niet, maar er werd besloten dat we een hond zouden nemen.

Pa nam me op een dag mee naar het station om de hond te gaan halen die hij in de stad had gekocht. Ik verwachtte een grote hond, maar het was maar een puppy in een houten kistje. Maar na verloop van tijd groeide de puppy op tot een mooie grote Duitse herder.

Over honden gesproken: wij hadden een olieman die elke week langs kwam om de lege oliekannen om te wisselen tegen volle.

Ondanks dat we gas hadden om te koken gebruikten we ook petroleum om het eten te kunnen laten pruttelen. De kar van de olieman werd getrokken door een grote zwarte Labrador en dat vond ik zeer interessant. Kennelijk bestond er in die dagen nog geen Dierenbescherming.

We hadden ook kippen. Eén van mijn neefjes (van mijn leeftijd) kwam uit hartje Amsterdam en was erg benieuwd hoe een kip een ei legt.

Hij zat altijd achter in het kippenhok en zei dan tegen die stomme dieren: "Kom kip, leg nou es 'n ei", tot grote hilariteit van iedereen.

Mijn zuster To (10 jaar ouder dan ik) was een zorgeloos en aantrekkelijk meisje, hetgeen ertoe leidde dat zij veel bewonderaars had, tot groot ongenoegen van Moe die vond dat zij nog veel te jong was. Wij hebben het hier over Bussum, en To zal toen 16 of 17 jaar zijn geweest. Zij ontmoette haar toenmalige vriend in de stad tijdens het boodschappen doen voor Moe. Altijd als zij op de fiets wegging wou ik mee achterop, maar dat wilde ze niet altijd. Ik moet een vreselijk kind geweest zijn. Dus To spelde de woorden voor Moe als zij weg wilde, in de hoop dat ik het niet zou verstaan:

M o e m a g i k f i e t s e n ?

en Moe zou zeggen, "Ja kind, ga maar", maar ik had snel door waar het om ging.

Af en toe stond Moe erop dat To me meenam en dan ontmoetten we soms een jongen in de stad. Hij gaf me dan lolly’s onder voorwaarde dat ik niets tegen mijn moeder zou zeggen. Ik beloofde het, maar ik kon niet altijd mijn belofte houden onder het vragenvuur van Moe (zoals ik al zei, ik moet een vreselijk kind geweest zijn).

Eén van de vriendjes had een sportwagen en als To met hem weg ging voor een ritje en ze langs ons huis moesten rijden dook zij naar beneden op de vloer van de auto, zodat Moe haar niet kon zien. Al die dingen kwamen later uit en wij lachten erom. Ja, zo gebeurde dat in die dagen.

To speelde ook heel goed piano en was erg muzikaal, en ze had de flair om te spelen. Als er een nieuwe hit uitkwam kon ze hem direct spelen.

Wij kregen onze eerste platenspeler (Pathéphone) toen we in Bussum woonden. Wat een plezier was dat!

In Bussum hadden wij ook de eerste ervaring met de draadloze radio. Pa had tijdens het toezicht op de bouw van de huizen in Hilversum een bouwvakker ontmoet die een kristalontvanger had; zodoende hoorde hij de eerste krakende geluiden van een radio. Hij bracht het ding mee naar huis en wij stonden allemaal stomverbaasd over deze nieuwe uitvinding.

Ik had in Bussum een buurjongen als vriendje. Hij heette Tonny Strak van Schijndel, een naam die aangaf dat ze tot de "hogere kringen" behoorden. Ik was heel erg onder de indruk toen hij me hun huis liet zien en ontdekte dat zijn vader en moeder aparte slaapkamers hadden. Ik vond dat heel gek en vertelde dat mijn moeder. Zij zei niet wat zij ervan dacht.

Aan de andere kant woonde ook een jongen; die heette Jurry Daniels.

Wat ik aan hem leuk vond was dat hij een Meccanodoos had waarmee hij kranen en bruggen bouwde die konden draaien en op en neer gingen.

Ik was heel erg jaloers! Ik was toch altijd meer geïnteresseerd in jongensspeelgoed.

Ik ging ook graag met Moe naar de kerk. Soms gingen wij op hoogtijdagen naar het Lof, met processies, kaarsen, bellen en misdienaars zwaaiend met wierookvaten terwijl het koor "Hosanna filio David" zong. Van Moe mocht ik dan op de bank staan zodat ik alles goed kon zien.

Toen Pa bezig was al zijn bezittingen te verkopen en wij moesten wachten tot alle zaken afgewerkt waren, werd er een huis gehuurd in Zandvoort.

Het was aan het eind van de zomer. Het huis - Kortenaerstraat 57 - stond er nog in 1974. Hier ben ik voor het eerst naar school gegaan. Moe had me thuisgehouden tot het moment dat ik naar school moést. Ik weet niet waarom ze zo lang wachtte want ikzelf wilde heel graag naar school, al was het alleen maar om te leren lezen! Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik aan haar voeten zat en zei: "Kon ik maar lezen, dan zou ik me niet zo vervelen!"

Ik ging pas naar school toen het schooljaar al begonnen was en de zuster hielp me na schooltijd om de achterstand in te halen. Pa bracht me en haalde me van school en soms nam hij me mee naar het strand in een strandkar, een houten geval op 4 wielen dat heel populair was in die dagen. Soms nam Pa zijn vissnoer mee, een lijn waaraan op gelijke afstand van elkaar kleine haken waren bevestigd. Aan het eind van die lijn bond hij een steen. Dan rolde hij zijn broekspijpen op, liep de branding in zo ver als hij kon en gooide de steen met de lijn zo ver mogelijk in zee. Na een tijdje haalde hij de lijn weer binnen en was blij als er hier en daar een ondermaats scharretje aan zat!

In die tijd waren Jacques en Joh werkloos en Jacques en Siny trokken bij ons in. Er waren wat spanningen tussen Moe en Siny. Siny, die 27 jaar was, was nogal wuft en gedroeg zich alsof zij nog een jong en vrij meisje was, zoals To. Zij flirtte constant met mannen en had daar ook succes mee. Dit werd mij natuurlijk pas veel later duidelijk. Siny werd door mijn ouders volledig als hun eigen dochter behandeld. Als To een bontjas kreeg, dan kreeg Siny er ook één ... dat soort van dingen.

Voor ons was het een fijne tijd in Zandvoort; voor mijn ouders moet het een tijd van bezorgdheid voor de toekomst zijn geweest met twee zoons zonder baan!

CONSTANTIJN HUYGENSSTRAAT

Na ongeveer een halfjaar verhuisden wij weer naar Amsterdam. Wij gingen naar een flat één hoog boven een winkel. Die winkel was het eigendom van een zwager van Pa, oom Antoon Bierman. De twee verdiepingen boven de winkel stonden leeg. Er stonden in die tijd veel woningen leeg. Toen wij hier woonden ging ik op school in de Banstraat, ook naar de eerste klas. In werkelijkheid ging het hier om twéé scholen: één voor degenen die het konden betalen en de andere voor de "armen". De speelplaatsen werden gescheiden door een muur!

Dit moet de laatste school geweest zijn met dit systeem, want ik heb hierna nooit meer zoiets gehoord. Tijdens deze schoolperiode heb ik mijn eerste Heilige Communie gedaan in de Heilig Hart Kerk in de Vondelstraat. Bij die gelegenheid kreeg ik een gouden horloge, maar dat was te groot en te duur voor mij om te dragen; het verdween later in de Bank van Lening ("de Lommerd"), zoals ik beschrijf in het gedeelte "Diemen".

Ik was het oudste meisje in de Eerste Communie klas, wat ik wel een beetje gênant vond. Omdat ik zo laat met school begonnen was, liep ik altijd een jaar achter, hoewel ik absoluut niet dom was.

Wij woonden maar kort op dit adres omdat ik nog steeds in de eerste klas zat toen wij verhuisden naar ...

DIEMEN ,

Ouddiemerlaan 57, waar wij de komende 3 jaar zouden wonen.

Diemen was een kleine plattelandsgemeente, grenzend aan Amsterdam.

Het was echt een dorp met een hoofdstraat en kleine zijstraatjes met sloten aan beide kanten en boerderijen met koeien en schapen.

Pa kocht een huis met twee verdiepingen, twee-onder-één-kap, voor ¦ 7.500.-. Beneden twee kamers en-suite en de keuken en boven de slaapkamers; verder nog een paar zolderkamers onder het schuine dak.

Voor het huis liep een sloot met een klein bruggetje. Joh stond er echter op dat dit kleine bruggetje werd vervangen door een groter, zodat er een auto overheen kon. De brug werd vervangen maar de auto kwam er nooit.

Pa had een bottelarij in de Jordaan in Amsterdam gekocht (voornamelijk om Joh aan een baan te helpen). Dit liep ook op een fiasco uit. Joh vond het alleen maar leuk om in een bestelwagen de bestellingen rond te brengen, maar Pa moest al het werk doen en tenslotte verkocht hij alles weer, waarna het pas echt bergafwaarts ging.

In Diemen ging ik naar de parochieschool. Dat was een gemengde school met lekenonderwijzers. Ik zat daar drie jaar op en herinner me nog de namen van de onderwijzers. Meneer Snijders was het hoofd en hij was ook dirigent van het kerkkoor. Er was ook een meneer v.d. Berg die met krijtjes gooide als je niet oplette. Je moest het krijtje terugbrengen waarna je een standje kreeg. Van meneer de Rijk werd gezegd dat hij sloeg, maar omdat dat verboden was op Nederlandse scholen weet ik niet zeker of dit echt waar was, en ook omdat hij les gaf in de zesde.

Ik knikkerde, kocht drop of een koningsbroodje in de kleine snoepwinkel, speelde met de priktol en de zweeptol. Ik was nooit goed in touwtjespringen.

Ik had een paar vriendjes en het leven was goed. Ik leerde goed op school en hoorde altijd bij de drie besten van de klas.

Achter ons huis in Diemen waren weilanden met koeien en soms een paar schapen. De boer naast ons heette Zijtveld en ik herinner me dat ik met Moe en To daar eens op visite ging. We werden ontvangen door de boerin die nog de typische klederdracht had van kanten muts met gouden oor-plaatjes. We dronken koffie in de voorkamer die uitsluitend gebruikt werd bij speciale gelegenheden. De ramen hadden luiken aan de buitenkant en zonwering aan de binnenkant die half opgetrokken was en de kamer nogal donker maakte. Een grote bijbel had een ereplaats op tafel.

Ik herinner me dat ik me hier niet op mijn gemak voelde. Het moet winter geweest zijn omdat de koeien op stal stonden zoals wij bij de rondleiding konden zien.

De vriendschap tussen Moe en de boerin was het gevolg van hun gezamenlijke zorg voor een buurvrouw, mevrouw Kramer, die ziek was en op sterven lag. Meneer Kramer was paardenslager in Amsterdam. Moe verzorgde mevrouw Kramer, deed de was en verschoonde de bedden totdat ze zo ziek werd dat ze moest worden opgenomen in een ziekenhuis in Amsterdam waar ze uiteindelijk stierf. Na school ging ik soms bij mevrouw Kramer op bezoek. Zij had geen kinderen en zij vond het fijn als ik op bezoek kwam en ze gaf me snoepjes. Meneer Kramer was ook altijd erg aardig voor me en soms nam hij me mee naar het Merwedekanaal om te vissen; ik zat dan voor op de stang. Hij was van het type "ruwe bolster/blanke pit".

Hij had gediend bij het KNIL in Indië. Hij had nog steeds zijn sabel en

- kort nadat zij in het huis naast ons kwamen wonen - maakte hij Moe, die voor het raam stond, bang door met zijn sabel wild om zich heen te slaan om te proberen het lange gras te maaien.

Onze kat was ook een regelmatige bezoeker bij de buurman en hij stal het vlees van zijn kat die niet langer geïnteresseerd was in paardenbiefstuk!

Ik werd soms uitgenodigd voor het middageten terwijl meneer Kramer grote biefstukken bakte en ik was er dol op. Dit was natuurlijk ook paardenvlees, maar in Holland vinden de mensen dat niet zo erg.

Het was ongelooflijk dat twee zo verschillende mensen met elkaar getrouwd waren. Zij was een heel aardige vrouw met een diep geloof die haar lijden geheel aanvaardde. Ze was een bekeerling tot het katholieke geloof en, zoals zo vaak gebeurt, hoe geloviger zij werd hoe minder hij geïnteresseerd raakte.

Toen mevrouw Kramer werd opgenomen sprak Moe met de boerin af dat zij haar samen zouden gaan bezoeken. Dus op een dag kwam de zoon van de familie Zijtveld met de sjees en beide dames stapten zo goed en zo kwaad als het ging in het ding. Wij vonden het met z'n allen een grote grap maar lieten dat natuurlijk niet merken tegenover de boerin. Ik denk niet dat zij helemaal naar Amsterdam gingen met de sjees, maar waarschijnlijk tot aan de stoomtram die hen verder naar de stad bracht.

Mijn moeder was in de periode dat zij in Diemen woonde 49 tot 52 jaar.

Zij leek echter veel ouder omdat zij helemaal grijs was en grote moeite had met lopen. Zij moest speciaal op maat gemaakte schoenen dragen vanwege haar eeltknobbels. Ze was ook gauw buiten adem en het was voor haar erg moeilijk om op zondag helemaal naar de kerk te lopen. Ik liep dan naast haar en zij leunde dan zwaar op mij. Pa huurde voor haar een stoel vlak naast de preekstoel (dit behoort nu niet meer tot de mogelijkheden gelukkig). Ik kan me herinneren dat ik op koude dagen naast haar zat met mijn hoofd tegen haar bontjas wat een warm en comfortabel gevoel gaf.

Aan de andere kant van ons - met een weiland ertussen - woonde een ouder echtpaar, genaamd Van Manen die een dochter hadden met wie To bevriend raakte. De moeder had een sigarenwinkel gehad op het Dapperplein in Amsterdam. Toen zij er pas kwamen wonen en wij hen dus nog niet kenden, was Moe een beetje ontsteld toen zij mevrouw van Manen zag roken! Dat was zeer ongehoord, vooral voor dames op gevorderde leeftijd. Later kwamen zij vaak 's-middags bij elkaar om te kaarten.

Bij één van die gelegenheden kwam ter sprake dat ik een gouden horloge had. Aan Pa werd gevraagd om het aan de dames te laten zien. Toen Pa echter zijn kistje waarin hij waardevolle dingen bewaarde opende zat het horloge er niet meer in. Dat was pijnlijk en ik weet niet wat Moe tegen haar bezoek heeft gezegd. Uiteindelijk bleek dat Joh die krap zat het horloge had beleend bij de Lommerd. Dat was niet de eerste keer dat zoiets gebeurde.

Pa vond het fijn in de tuin te werken en Moe moest de bonen en andijvie die hij verbouwde inmaken. Hij schilde altijd de aardappels voor Moe. Dit werd "piepers jassen" genoemd; dit betekent: de aardappels van hun jasje ontdoen.

Ik herinner me Pa als een heel rustige man en in mijn ogen wist hij op alle vragen antwoord. Hij was nooit te moe om met me te spelen, te kaarten, te ganzenborden, enz.

In Diemen bouwde hij een serre aan het huis met de ramen van de winkel van het Haarlemmerplein. De houten palen liet hij inslaan door een vakman maar de rest deed hij zelf.

Ik was een geïnteresseerde toeschouwer bij dit alles en ik speelde met de stopverf die hij me gaf. Ik maakte er koeien van, sneed er plakjes af die ik verpakte in papier en als "worstjes" verkocht aan Moe.

Soms kwam mijn schoolvriendinnetje Alie Spils bij ons thuis en dan speelden we samen winkeltje. Ik had ook vriendjes onder de jongens uit de buurt, we zaten uiteindelijk op een gemengde school. Ik speelde met de jongens Goedhart. We visten in de slootjes en vingen stekelbaarsjes en donderkopjes terwijl we op onze buik lagen op de bruggetjes over de sloten.

Op een keer viel Anton Goedhart in de sloot en toen wij hem eruit trokken had hij nog steeds zijn pet en klompen aan!

Ik liep gewoonlijk na school naar huis met Jan Keyzer. Zijn vader had een kleine boerderij even verder op, richting Oud-Diemen.

Op onze weg van en naar school moesten we langs een protestantse school en soms werd er geknokt tussen de Roomsen en Protestanten. Zij pestten ons en scholden ons uit omdat we katholiek waren. Daar kwamen dan de rubberen riemen met metalen gespen aan te pas.

Dan was er het hooien; volgeladen karren met hooi denderden langs ons huis. De kinderen van de boer zaten boven op het hooi tot grote afgunst van ons allemaal. De weg was smal en het hooi schuurde langs de takken van de bomen en viel op straat, de hele weg lang. Dat was in 1926/1927.

Ik was eens op één van de boerderijen en speelde in een hooimijt. Deze hooiberg had een verstelbaar rieten dak en in het midden aan de binnenkant van het dak hing een lang dik touw naar beneden. Ik weet niet met welk doel. De jongens zwaaiden met dit touw van voor naar achter en landden in het hooi. Ik deed niet mee, want ik was altijd een beetje bang voor dat soort dingen.

AMSTERDAM

Van Diemen verhuisden wij weer terug naar Amsterdam. Ik weet niet waarom.

Het leek alsof wij steeds aan het verhuizen waren en deze keer gingen we wonen op de eerste verdieping van de Frederik Hendrikstraat 19, boven een bakkerij. Ik moest daar vaak brood kopen en ik herinner me dat de prijs van een brood 17 cent was. De winkel bestond nog in 1983.

Ik moest naar een nieuwe school en mijn ouders kozen de St. Ignatius school op de Egelantiersgracht, gerund door de zusters van Tilburg (Zusters van Liefde), hoewel de gemeenteschool dichterbij was. Het was een weloverwogen keuze omdat zij dachten dat dit een betere school was.

Moe bracht me de eerste dag naar school en ik werd ingeschreven in de 4e klas. De school had drie verdiepingen en ons klaslokaal was op de bovenste verdieping vanwaar we uitkeken over de daken van de Jordaan.

Er was een duivenmelker die we konden zien als hij z'n hoofd uit het zolderraam stak om te fluiten naar zijn duiven.

We konden ook de straatzangers horen. Iedereen die werkloos of gehandicapt was en op straat voor geld wilde zingen of muziek maken moest een vergunning hebben van de gemeente. Soms begeleidden deze zangers zichzelf op een accordeon en verkochten zij de tekst van hun ballades voor een paar centen. Eén die ik mij goed herinner speelde de ocarina.

Dan waren er natuurlijk de draaiorgels; als ik ze hoor geven ze me altijd een blij gevoel en vooral de kleine poppen op het orgel die met de muziek mee bewogen vond ik erg leuk.

Dan had je ook nog de "cargadoors" (bruggetrekkers). In Amsterdam zijn sommige bruggen over de grachten erg steil omdat er dekschuiten onderdoor moesten. Omdat bakkers, melkboeren, groenteboeren en visboeren hun waar op handkarren vervoerden was het voor hen vaak een probleem hun zwaar beladen karren over de brug te krijgen. Bij onze school was zo'n brug en daar was een klein krom mannetje die een touw met een haak had en voor een paar centen een kar met dit touw over z'n schouder over de brug hielp. Een zo'n bekende figuur werd "Kikkie de Bruggetrekker" genoemd.

Op deze St. Ignatius school sloot ik vriendschap met Bep Mittelmeijer, die om de hoek woonde en in dezelfde klas zat als ik. Ik was meer bij haar thuis dan bij mezelf nadat mijn moeder was overleden.

Bep had twee broers en twee zusters en haar moeder was toentertijd in verwachting van een volgend kind. Bep was de oudste en we konden erg goed met elkaar opschieten. We liepen altijd samen van en naar school en hadden diepgaande discussies. Zij is later naar de kweekschool gegaan en na een tijd gewerkt te hebben als onderwijzeres op onze oude school (St. Ignatius) is ze het klooster ingegaan toen ze 21 was en haar vader haar niet langer kon tegenhouden.

HOOFDDORPPLEIN

Tijdens mijn tijd op de St. Ignatius school verhuisden we weer en dit keer naar het Hoofddorpplein 35 in Amsterdam-West. Dit was een nieuwe wijk, genaamd "Plan West". Eén van de hits op de radio was:

In de hoge Alpen van Plan West

Daar bouwen wij ons eigen nest

Van je hoeladiee, van je hoeladio.

 

Pa had een winkel gehuurd en we zouden een slijterij beginnen. We woonden boven de winkel. De zaak heette "De Drie Jagers" met een verwijzing naar de naam Jagerman. Maar de winkel liep niet.

Wat ik me nog heel goed kan herinneren was dat op een heel koude winterdag alle flessen limonade en mineraalwater in de etalage stukgevroren waren. De inhoud hing in de vorm van ijspegels aan de buitenkant van de flessen.

Ik was toen 12 jaar en leerde fietsen op de fiets van mijn zusje in één van de nog niet afgebouwde zijstraten van Het Plein. Moe besloot mij niet van mijn huidige school af te halen, wat een juiste beslissing bleek omdat wij weer teruggingen naar "Oud-West" in Amsterdam.

Toen wij op het Hoofddorpplein woonden ontmoette To Louis Hulscher en ik was niet onder de indruk omdat toen hij op een avond op zijn motorfiets To kwam afhalen hij mij niet eens zag staan! Later bleek dat hij niet wist dat ik bij de familie hoorde. Zijn ouders, die onze familie kenden uit de tijd dat wij op het Haarlemmerplein woonden, waren er zeker van dat er maar één dochter was ...

To was al eerder verloofd geweest toen wij in de Frederik Hendrikstraat woonden, maar die verloving werd verbroken omdat hij teveel van de fles hield. Ik bewonderde haar eerste vriend omdat hij op z'n handen kon staan, maar met de tweede mocht ik af en toe een ritje maken op zijn Ariel motorfiets, wat ook erg leuk was!

Nadat ook deze poging om in hun onderhoud te voorzien was mislukt besloten mijn ouders weer terug te gaan naar onze oorspronkelijke buurt in Amsterdam.

KOSTVERLORENKADE

Dit was het laatste adres waarnaar mijn moeder zou verhuizen. Ze werd ernstig ziek. De financiële situatie werd hopeloos.

Joh trachtte diverse agentschappen op te zetten en reisde het hele land af, wat hij leuk scheen te vinden, maar later bleek dat dit niets opgeleverd had. Feit was, dat het meestal eindigde in een ramp. Hij verkocht zoveel uiteenlopende artikelen zoals snoep en heiligenbeeldjes en ook nog andere dingen dat ik het me niet meer kan herinneren.

Het begon altijd als iets fantastisch maar uiteindelijk was het niets. Hij was ook nog een tijdje verloofd met een aardig meisje, Lenie Drieman, maar zij maakte het uit omdat hij niet in staat scheen z'n eigen brood te verdienen.

Joh was iemand die ik nooit heb begrepen. Ik was te jong. Hij was 16 jaar ouder dan ik. Hij was erg goed voor me - hij was goed en gul voor iedereen. Hij wilde dure cadeaus geven zelfs als hij geen geld had. Hij wilde geliefd zijn en bewonderd worden. Mijn moeder verwende hem en dekte hem als de zaken verkeerd afliepen. Pa betaalde voor hem om hem uit de problemen te houden. Het was allemaal heel verdrietig en hij stierf in 1961, alleen en zonder vrienden; To was de enige die nog contact met hem had en die hem ook begeleidde naar zijn laatste rustplaats. De enig andere die op zijn begrafenis kwam was zijn hospita.

Jacques was anders, meer zoals Pa. Hij was iemand op wie je kon vertrouwen, eerlijk en nauwgezet in al zijn zaken. Echter, als ik nu terugkijk nu Jacques en Siny niet meer bij ons zijn, realiseer ik me dat hun huwelijk niet gelukkig was. Zij hadden geen kinderen. Siny bracht Jacques op vele manieren in verlegenheid. Zij had vele vriendjes wat ik toen niet als vreemd beschouwde maar wat ik nu als heel ongepast ervaar, hoewel ik er zeker van ben dat er niets gebeurde dat niet door de beugel kon. Zij was erg goed voor mij en ik hield veel van haar. We konden goed met elkaar overweg en ik was erg vaak bij ze.

Jacques stierf in 1946 toen hij 48 was en Siny hertrouwde een paar jaar later met Albert Koster. Zij stierf in 1975 en Freek en ik bezochten haar in 1974, eerst in het Titus Brandsmahuis in Utrecht en later in het ziekenhuis nadat zij een hartaanval had gehad.

Ik had er geen idee van dat mijn moeders ziekte zo ernstig was; ik was toen pas 13 en Moe was 55. In de nacht dat ze stierf kwam er een priester om haar te bedienen en wij knielden allemaal naast haar bed.

Om twaalf uur 's nachts werd ik naar bed gestuurd en toen ik de volgende dag wakker werd hoorde ik dat Moe gestorven was kort nadat ik naar bed gegaan was.

De mensen van de begrafenisonderneming kwamen en behingen de kamer met zwarte doeken en plaatsten grote kaarsen naast de kist die hun zachte licht wierpen op het gezicht van onze moeder. Mensen kwamen om te condoleren, mensen die wij jaren niet gezien hadden, mensen die onze vrienden waren geweest toen mijn ouders nog geld hadden, maar die ons vergeten waren toen er niets meer over was.

Zij baden bij de "Profundis" en condoleerden de familie en kregen daarna een kopje koffie. Ik zat toen in de 6e klas.

Tijdens mijn laatste schooljaar bood Zuster Octavia, hoofd van de school, aan mij ook als student op te nemen voor de kweekschool, samen met Bep.

Echter, Siny en Jacques (mijn vader scheen verder geen stem meer te hebben in de beslissingen omtrent mijn opvoeding) maakten bezwaar omdat dat, hoewel de opleiding gratis was, toch veel extra kosten met zich mee zou brengen en er was haast geen geld. Ik moest een baan zoeken!

Zr. Octavia gaf me het adres van een bedrijf dat een kantoormeisje zocht (zo goedkoop mogelijk denk ik). De naam was Raalte & Ten Have op de Oudezijds Voorburgwal). Het was een groothandel in keukengerei. De directie bestond uit twee personen: één op kantoor en de ander zat langs de weg. Mijn taak bestond uit koffie zetten, deur open doen, broodjes voor de baas halen, soms de telefoon aannemen en facturen typen (met twee vingers). Ik had vroeger letterlijk alleen maar een typemachine gezien en er nooit op gewerkt, maar de baas gaf me een stuk papier en zei: "probeer het maar tot je het kunt".

Er was niet veel voor mij te doen en ik haatte elke minuut die ik er doorbracht. Ik verdiende tien gulden per maand. Ik staarde naar de klok en zag de wijzers langzaam vooruit kruipen; ik keek uit het raam en zag de boten door de gracht varen, zag mensen die "vrij" waren om op straat te lopen. Nu heet dit gedeelte van Amsterdam "de rosse buurt" en het is niet aan te raden hier 's avonds rond te lopen. Ik moet ze thuis verteld hebben hoe ik het daar haatte. Soms, als de baas weg moest, kwam zijn vrouw op kantoor om mij in de gaten te houden. Zij zat dan te breien. Wat was ik daar ongelukkig!

Gelukkig was ik daar maar voor een paar maanden, want Louis, die met zijn zuster Netty had gesproken, vond een andere baan voor me.

Netty was boekhoudster bij Ferwerda & Tieman, een firma die wijn importeerde, bottelde en op de markt bracht via een stuk of dertig verkooppunten door het hele land.

 

Zij hadden een kantoor en omvangrijke kelders aan de Weesperzijde 55-58, vlakbij de Amstel. Er werkten negen mensen op kantoor en ik was de tiende en de jongste.

Mijn taak was om Juffrouw Benjamin te assisteren aan de telefooncentrale en wat eenvoudig typewerk te doen. Ik was verlegen en bang in deze nieuwe omgeving en durfde het werk niet aan. Ik maakte in het begin dan ook veel fouten, maar ik ging het steeds beter doen en bleef daar uiteindelijk 3 jaar, van mijn 14e tot mijn 17e. Juffrouw Benjamin leerde me hoe met de telefoon om te gaan en Meneer Veltkamp vertelde me de geheimen van de Gestetner stencilmachine. Prijslijsten en andere informatie moest worden verstuurd naar de verkooppunten. Meneer Veltkamp maakte de stencils en legde ze op de machine en ik moest ze afdraaien. Dit was een handbediende machine en inkt moest uit een tube zoals tandpasta op de roller gespoten worden.

Wij met z'n drieën vormden eigenlijk een aparte afdeling van het hoofdkantoor en we werden door glazen deuren gescheiden van de rest van het kantoor.

Er werden zware gesprekken gevoerd tussen de gereformeerde Meneer Veltkamp en Juffrouw Benjamin die socialiste was. Zij had een zwager (Dr. Jaap Kruyt) die een proefschrift had geschreven voor zijn doctoraal, genaamd "De Onkerkelijkheid in Nederland". Tijdens zijn researchwerk had hij vele geestelijken en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders geïnterviewd en Greet Benjamin werd heel erg beïnvloed door hem.

Zij trouwde later met een schoolmeester en verhuisde naar Doesburg en werd werkelijk, zo hoorde ik later, lid van de protestantse kerk.

Eén ding hadden wij gemeen en dat was onze liefde voor de muziek. Zij had een erg mooie stem en zong in "Toonkunst", een voornaam koor waarvoor je auditie moest doen vóór je werd aangenomen. Elk jaar voerden zij met het Concertgebouw Orkest de Mattheus Passion van Bach op.

De zoon van de baas, de jonge Meneer Wijbren Ferwerda, was ook lid van dat koor.

Ik leerde veel bij Ferwerda & Tieman, verdiende inmiddels veertig gulden per maand en was hier - op wat moeilijkheden in het begin na - redelijk gelukkig.

In die tijd ontmoette ik mijn eerste vriendje. Hij werkte in dezelfde buurt en in dezelfde branche en wel bij de firma Bicker & Modderman een bedrijf dat meer handelde in sterke drank.

De naam van de jongen was André Rooswinckel en hij haalde me af van mijn werk en samen fietsten we naar huis. Hij droeg altijd een hoed en zag er eigenlijk heel saai uit, een echte pennenlikker. Ik wist niet goed hoe ik me moest gedragen of liever, hoe ik van hem af kwam. Tussen de middag wandelden wij langs de Amstel.

Toen "de Graal" een uitvoering gaf in de Stadsschouwburg, nodigde hij me uit. Toen ik dit vertelde aan Jacques en Siny stond ik verbluft van hun reactie. Jacques zei: "Begint dit nu al. We hebben net al dit jongensgedoe met To gehad en nu begin jij ook al!". (Ik was toen 16 jaar.)

Het resultaat was dat André mij van huis moest halen en - omdat Jacques en Siny die avond ook uit gingen - hij me na de voorstelling bij Jacques weer moest terugbrengen op het Leidseplein om elf uur.

De voorstelling was echter al om tien uur afgelopen en André stelde voor om ergens iets in een café te gaan drinken. Hij deed zich voor als een man van de wereld, vond ik; hij rookte een sigaar en bestelde bier.

Ik bestelde waarschijnlijk een jus d' orange. We zaten en praatten wat. Daarna wandelden wij terug naar het Plein en ontmoetten Jacques en Siny en ik geloof dat hierna onze vriendschap langzaam doodbloedde. Mijn geheugen is wat dat betreft een beetje vaag. Ik herinner me nog wel dat hij op mijn verjaardag een flesje eau de cologne in mijn fietstas had gestopt en ik werd hiermee door mijn collega's geplaagd.

Bicker & Modderman hadden grote kelders in een ander deel van de stad op de "Burgwallen" en ik ging daar een keer met André naar toe omdat hij daar iets moest ophalen. Hij liet me daar de enorme kelders zien maar ik moest beloven dat ik dit aan niemand zou vertellen. Ik was zo groen dat ik niet begreep waarom het zo belangrijk was dat niemand dat mocht weten.

Nadat ik drie jaar bij Ferwerda & Tieman had gewerkt, fuseerden ze met de firma Oud & Zoon in Haarlem en slechts een paar van ons konden meegaan.

In de tussentijd waren wij weer verhuisd, echter niet ver en wel naar de Zaagmolenstraat 22 en dit was echt een stap terug, althans wat betreft de buurt.

Vanuit dit huis (ik was toen 16) trouwde To met Louis. Het was februari 1933 en Siny had me overgehaald een nieuwe zijden jurk te kopen, een paarse. Het was erg koud en ik haatte de jurk. Het was een grootse bruiloft met diner en dansen. Louis had een broer die erg goed teksten kon maken op de muziek van de hits in die dagen, en op "Das ist die Liebe der Matrosen", schreef hij:

Hoezee voor onze Lou en Tootje

Leef gelukkig blijf gezond

Klinkt het nu van mond tot mond

Hoezee voor onze Lou en Tootje

Dat het jullie nu voortaan

Maar altijd voor de wind mag gaan

Al komt er crisis in je leven

Al zijn de tijden nog zo slecht

Als jullie van elkaar blijft houden

Heus dan word je nooit verkouden

Dan komt alles wel terecht.

Het was nu 1934 en de tijden waren slecht. Veel mensen waren werkloos.

Ik schreef veel sollicitatiebrieven en werd soms uitgenodigd voor een gesprek.

Eindelijk kreeg ik antwoord van Numan's Blikfabrieken en zij nodigden me uit voor een gesprek. Het was lang nadat ik de sollicitatiebrief had geschreven. Ik kwam er later achter dat er een meisje was aangenomen met uitstekende referenties, maar toen ze begon kwam men er al snel achter dat zij haar steno niet meer terug kon lezen. Daarom was ik ècht tweede keus!

Toen ik aankwam op de Haarlemmerweg 325 in Amsterdam werd ik ondervraagd door een vrouw die hoofd was van de correspondentie-afdeling waar ik typiste/stenografe zou worden. Er was geen enkele aanwijzing dat de ontmoeting met deze vrouw mijn hele leven zou veranderen.

Ik kreeg de baan bij dit bedrijf met ± 350 medewerkers.

Er was een kantoor in de fabriek zelf met een manager en een assistente;

er was een boekhoudafdeling met ± 8 mensen en een correspondentie-afdeling met 5 medewerkers.

Het gebouw was oud en lelijk en in de winter vreselijk koud.

Meneer Numan was nog één van die ouderwetse feodale bazen: je werkt keihard of je vliegt eruit. Als beginsalaris kreeg ik ¦ 40,- per maand. Ik moest brieven in steno opnemen, uittypen, daarna in een postboek doen en Juffrouw Goeman (dat was haar naam) tekende ze dan aan het eind van de dag. Er waren problemen in het begin omdat ik fouten maakte en Tine Goeman stond bij het kantoor niet bekend om haar geduld. Het kwam zover dat ik werd ontslagen.

Na een paar dagen ontbood ze me op het privé kantoor en vroeg me of ik mijn vader had verteld dat ik mijn baan zou verliezen. Dat had ik niet.

Toen bood ze aan mij een tweede kans te geven en vanaf die tijd ging het beter en werkte ik mezelf op naar een goede en vertrouwelijke positie toen Meneer Numan stierf en Tine Goeman de baas werd.

Ik bleef daar tot ik ging trouwen en mijn eerste kind verwachtte (met een korte onderbreking werkte ik bij Veerman, toen de oorlog uitbrak).

Nadat ik van school af was nam ik avondles bij een school voor meisjes, geleid door de Katholieke Vrouwen Bond. Elke avond, behalve op dinsdag omdat we dan naar de congregatie moesten, zoals door de bisschop verordonneerd. Ik had les van zeven tot tien uur en deed Nederlandse handelscorrespondentie, Engels, Duits en steno. Het was moeilijk, maar ik beëindigde de drie jaar met een diploma, waarna ik nog doorging met Engels en Duits waarvoor ik het Mercurius examen aflegde.

Tijdens mijn tijd bij Numan's Blikfabrieken leerde ik Tine veel beter kennen. Zij woonde bij haar moeder die weduwe was, en nadat haar moeder was gestorven, in maart 1934, woonde zij alleen in de flat op de Admiralengracht 152. Zij had een huishoudster die schoonmaakte en kookte. Na een tijd werd er besloten dat ik bij haar zou intrekken, zodat het voor Pa makkelijker was om naar het St. Bernardus (een bejaardentehuis) te gaan waar Siny hem in had weten te krijgen. Hij bleef daar tot zijn dood in 1957.

Hierna begon Joh een beetje rond te dwalen. Soms hoorden wij maanden en maanden niets van hem.

Gedurende de tijd dat ik bij Tine woonde, maakte ik mijn reis naar Engeland, waar ik was uitgenodigd door mijn correspondentievriendin Kathleen Gildea. Het was toen 2 juli 1938 en ik werd 21 jaar.

Tine vergezelde me tot Vlissingen waar ik op de boottrein naar Harwich stapte en vandaar naar Victoria Station in Londen waar Kathleen en haar verloofde Eddy mij opwachtten. Ik bleef een week in Londen en bezocht de Tower, Westminster Abbey en Westminster Cathedral en ook Hampton Court, wisseling van de wacht bij Buckingham Palace, enz. Zij zou het jaar daarop naar Nederland komen, maar dat is nooit gebeurd omdat de oorlog uitbrak.

 

SOBRIETAS

Nadat ik bij Tine Goeman ingetrokken raakte ik geïnteresseerd in de Maria Vereniging, een onthoudingsbeweging waarvan Tine lid was. De leden van deze beweging onthielden zich van alcohol ter vergeving van de zonden die begaan werden door teveel drinken. Sobrietas was een zijtak van deze Maria Vereniging. Het was een groep jonge mensen, onder leiding van Tine Goeman, die kleine éénakters opvoerden, afgewisseld met korte peptalk over de schadelijke invloed van alcohol. Gebruikelijk was dat er een hal werd gehuurd en daar werden dan twee éénakters opgevoerd; tijdens de pauze was er dan een spreker.

De toegang was gratis, dus we hadden altijd een vol huis. Om toch aan geld te komen, speelden we eens per jaar een ononderbroken toneelstuk in drie delen waarvoor wij geld vroegen. Er werden elke week repetities gehouden en ik herinner me dat toen de oorlog al was uitgebroken en wij "verduistering" hadden, we uiteindelijk moesten opgeven waarna de club nooit meer bij elkaar is gekomen.

We speelden "Vadertje Langbeen", "En Jacob diende", "De Tante uit Indië", "Jessonda", enz. We hadden een leuke tijd, zowel tijdens de repetities als op het toneel.

Twee leden van "Servio" (dat was de naam van de club), waren Ries en Kees Dobber. Toen hun broer Freek met vakantie kwam van het Seminarie van de Salesianen in Frankrijk, namen ze hem een keer mee en zo ontmoette ik voor het eerst Freek Dobber, die mijn echtgenoot zou worden.

Op een avond moesten wij optreden in Opdam, een klein plaatsje in Noord-Holland. Het probleem was toen dat de boeren in het Noorden zich niet hielden aan de zomertijd. Dus toen wij hadden besloten om de trein van 23.00 uur te nemen terug naar Amsterdam, dachten we dat we genoeg tijd zouden hebben, ons niet realiserend dat we eigenlijk moesten stoppen vóór 22.00 uur. Dus, zo snel als maar enigszins mogelijk, liet men het gordijn zakken terwijl Harry Uleman en ik nog op het toneel stonden en juist het punt van het "happy end" hadden bereikt.

We werden meegesleurd naar de trein die iemand voor een paar minuten had weten te laten wachten (zoiets kan alleen op het platteland) en onder de spoorbomen door die door één van de mannen werd opengehouden klauterden wij in de trein, nog steeds met onze schmink op, tot grote hilariteit van de machinist, de conducteur en de overige reizigers, en ik herinner me nog steeds Freek, rennend over het perron om te zien in welke coupé ik zat.

De oorlog betekende het einde van deze plezierige tijd voor ons, zoals dat ook gold voor zoveel andere leuke dingen. De oorlogstijd was afschuwelijk en saai voor ons jonge mensen.

 

DE GRAAL

We gaan een stukje terug in de tijd naar de Zaagmolenstraat voor iets anders waar ik ook bij betrokken was, en wel bij De Graal.

Dit was een beweging die startte in het Bisdom Haarlem en de oprichter was Professor J. van Ginneken S.J. Hij bracht deze beweging onder bij de leiding van een religieuze gemeenschap van vrouwen, genaamd "Vrouwen van Nazareth" (iets dat leek op de Missiezusters van Dienstbaarheid). Zij droegen burgerkleding, alleen in hun klooster, de Tiltenberg, droegen ze een habijt. Deze zusters brachten in deze beweging meer structuur door hiërarchische lijnen aan te geven, te beginnen met groepsleiders, huisleiders en zo verder gaand in hoger leiderschap.

Zij gaven deze functionarissen mythologische namen, zoals Sybille, Amazone, enz. en het hoogste leiderschap kwam toe aan hen die behoorden tot de "Tafelronde".

Het uniform was voor die dagen spectaculair te noemen door de, wat we nu zouden noemen, "psychedelische" kleuren. Elk huis had een kenmerkend uniform. Het mijne - als lid - bestond uit een lichtgroene bloes, een donkergroene tuniek, een kort scharlakenrood schoudermanteltje en een baret.

Er waren andere, meer uitbundige kleur combinaties, zoals geel en purper, en oranje en groen.

Toen ik groepsleidster werd droeg ik een grijze zijden bloes, een donkerrode tuniek, een groene lange cape, een grijze breedgerande hoed, een rode das en rode schoenen.

Als je bevorderd werd in rang ging je door drie gradaties, alle aangeduid door verschillende badges, terwijl sommige hoge rangen alleen konden worden behaald door de Vrouwen van Nazareth.

Er was ook een aparte afdeling voor meisjes die student waren (Hogeschool of Universiteit).

Siny - die eerst niet wilde dat ik lid werd van De Graal - probeerde me bij de groep met de naam De Cadetten te krijgen.

Ik kwam er echter niet voor in aanmerking en eigenlijk was ik daar wel blij om, want nu kon ik met andere werkende meisjes samenwerken.

Wij liepen marsen door de stad, droegen vlaggen en zongen marsliederen. Hier volgen er enkele die ik me nog herinner en waaruit blijkt dat De Graal zijn tijd ver vooruit was, zich ervoor inzettend dat vrouwen hun plaats in de maatschappij zouden krijgen:

Komt op dan, vooruit nu en blaast de trompetten
De vrouw wil naast het machtige mannenspoor
Ook van haar vrouwenvoet de tere indruk zetten
Op het mensen lot aller eeuwen en tijden door

Wij hebben ons hoofd niet met stelsels verward
Wij voelen de Geest en de Liefde van binnen
En dragen den Christus nu vol in ons hart

enz.


En de Cadetten hadden het volgende marslied:

Wij zijn de Graal cadetten, scharen ons fier om De Graal
Kennen geen and're wetten, spreken geen and're taal
Meisjes die God willen eren, moeders die haar wensen verstaan
Kunnen de wereld bekeren, zullen den Boze verslaan.

Er waren Stadion-spelen in Amsterdam en in Schiedam waaraan duizenden meisjes deelnamen. Deze waren allemaal in de vorm van het spreken in koor, en één van de teksten was genomen van Thomas à Kempis Imitatie van Christus. Het werd genoemd "De Triomf van het Kruis". Een andere tekst handelde over het leven van een Nederlandse 14e eeuwse heilige, genaamd Lydwina van Schiedam.

In De Graal kregen we een uitstekende christelijke training alsook het leren spreken in het openbaar, het doen van liefdadig werk en te dansen, te zingen en te studeren.

VEERMAN

Juist voor het uitbreken van de oorlog in mei 1940 probeerde ik een nieuwe baan te vinden die meer geld opleverde en waar meer toekomstmogelijkheden voor mij waren dan bij Numan's Blikfabrieken.

Ik vond een baan als stenotypiste Nederlands en engels bij Veerman's Import en Export van porselein en glas. Ik had ondertussen een cursus gevolgd in steno engels. Ik deed het hier goed voor een paar maanden en toen volgde de Duitse inval in Holland en werden wij allemaal ontslagen omdat de grenzen onmiddellijk werden gesloten.

Eén meisje met wie ik bij Veerman samenwerkte was joods. Haar naam was Ans Waterman. Na de oorlog, toen de mensen probeerden hun verloren familie en vrienden terug te vinden via advertenties in de kranten, zag ik de volgende advertentie in onze krant:

Wil een ieder die de verblijfplaats weet van

mej. Ans Waterman

of haar heeft ontmoet in een concentratiekamp,

zich melden bij Dr. David Moffie.

 

Ik ontving een kleine werkloosheidsuitkering waarvoor je dagelijks moest komen tekenen op het Arbeidsbureau. Toen Freek en ik het huwelijk van Oom Ries en Tante Annie in mei 1940 bijwoonden moesten wij tussendoor heen en weer naar de stad, zodat ik het register kon tekenen. Dit werd "stempelen" genoemd. Korte tijd later heeft Tine me weer aangenomen bij Numan.

De politieke situatie werd rampzalig toen de Duitsers Holland binnenvielen. Wij hadden altijd gehoopt dat ons land neutraal kon blijven zoals in de oorlog van 1914-18. Maar dit mocht niet zo zijn.

Op vrijdag 10 mei 1940 wekte Tine me om ongeveer zeven uur en zei: "Kijk eens naar buiten". Wij woonden op de Orteliuskade 51 in een buitenwijk van Amsterdam en wij konden zien wat er op Schiphol gebeurde.

Drommen en nog eens drommen bommenwerpers van de Duitse Luftwaffe en overal bommen die explodeerden.

Het was angstwekkend.

Wij zetten de radio aan en hoorden dat Duitsland ons land was binnengevallen; daarna werden er van tijd tot tijd bulletins uitgezonden met de mededeling waar zij zaten. Er werden alleen maar platen gedraaid en dat waren allemaal franse en engelse. Dat duurde tot de volgende dinsdag toen de Duitsers Rotterdam bombardeerden. De broer van Tantan kwam bij die gelegenheid om het leven. De opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten zei op de radio dat het op dit moment voor het kleine Nederlandse leger onmogelijk was nog langer weerstand te bieden aan de Duitse overmacht.

De Nederlanders hadden een dappere maar vruchteloze strijd gestreden op de Grebbeberg.

Tijdens deze vijf dagen vertrokken koningin Wilhelmina en prins Bernhard naar Londen, samen met het kabinet. Prinses Juliana en haar kinderen waren al in Canada. Het vertrek van de koningin werd niet begrepen door het volk, maar later bleek dat dit een juiste beslissing was geweest. Zij sprak ons moed in via reguliere uitzendingen op de BBC van "Radio Oranje"; dit werd een bron van vertrouwelijke informatie en hield bij ons in Nederland de moed erin.

De volgende vijf jaren waren op z'n zachtst gezegd moeilijk. Dingen waarvan je dacht dat je er niet buiten kon werden schaars en voedsel ging op de bon. In het begin dachten wij dat dit niet lang kon duren, maar het ging maar door en geruchten waren troef. Er kwam een avondklok en radio's moesten worden ingeleverd. Onze radio werd weggehaald en verstopt in de fabriek, en Freek knutselde iets van ditjes en datjes zodat wij konden luisteren naar Radio Oranje via een koptelefoon.

Op 29 juni, de verjaardag van prins Bernhard, had iedere bloemist witte anjers te koop. Prins Bernhard droeg er altijd een, en dat doet hij nog steeds. De mensen droegen er een als een teken van verzet tegen de Duitsers en trouw aan Oranje.

De Duitse Kommandantur maakte direct bekend dat elke demonstratie ten gunste van het Huis van Oranje of van de "Duitse verrader prins Bernhard" was verboden op straffe van een boete of gevangenschap.

Dit weerhield de mensen er echter niet van hiermee toch door te gaan.

Sommigen plantten afrikaantjes in de tuin in de vorm van een "W" en anderen noemden hun pasgeboren baby Wilhelmina of Juliana en plaatsten grote geboorte-advertenties in de krant. Dit mag allemaal erg kinderlijk klinken, maar er was niets anders voor gewone mensen om hun verzet te tonen; het waren slechts speldenprikken die de Duitsers toch ergerden en als zodanig waren ze zeker de moeite waard.

De bombardementsvluchten waren angstaanjagend. Op het werk bij Numan's Blikfabrieken moesten we bij elk luchtalarm naar de voorraadkelders.

In het begin waren we vreselijk bang, maar geleidelijk aan raakten wij eraan gewend en luisterden wij naar de explosies om te horen of ze ver weg waren of dichtbij. De fabrieksmeisjes vonden het een welkome onderbreking van hun werk aan de machines en ze zongen liedjes terwijl ze op de cementen vloer in de kelder zaten.

Daarna volgden de verschrikkelijke jodenvervolgingen. Het begon met de gele ster die ze moesten dragen en daarna werden openbare gelegenheden zoals bioskopen, theaters, zwembaden enz. voor hen verboden.

Al gauw begonnen de Duitsers hen bijeen te drijven en werden ze op transport gesteld naar Westerbork (± 30 km van de Duitse grens). Ons werd verteld dat ze daar werden tewerkgesteld; het zou al erg genoeg zijn geweest om als slaaf behandeld te worden, maar later bleek dat Westerbork slechts een tussenstation was naar de gaskamers in Duitsland.

In Amsterdam woonden veel joden, zij hadden hier een veilige haven gevonden (wat zij noemden "het nieuwe Jeruzalem") nadat zij hadden moeten vluchten uit Spanje en Portugal in de 15e eeuw.

Velen woonden in de binnenstad waar ze twee synagogen hadden. Sommigen waren straatventers of kleine winkeliertjes, anderen - de meer welgestelden - woonden in Amsterdam-Zuid.

Bij Numan hadden wij een joodse baas in die tijd. Meneer Numan had, voordat hij stierf, deze man nog aangenomen en het was een ramp. Hij was een schurk, maar dit heeft niets te maken met anti-semitisme: hij deugde gewoon niet! Maar hij hoorde natuurlijk tot degenen die konden ontsnappen aan de Duitsers. Hij kwam na de oorlog terug en dacht weer gewoon in zijn oude baan te kunnen stappen. Maar de tijden waren veranderd en zijn claim werd afgewezen. Uiteindelijk kwam er een rechtszaak van. Ik behoorde tot degenen die moesten getuigen en ik vertelde de rechter wat er gezegd was toen hij Tine Goeman bezocht om haar voor zich te winnen en aan zijn kant te krijgen en van alles beloofde. Tine was toen al overleden. Zijn naam was Rodrigues Lopez en hij verloor de rechtszaak.

Wij hadden ook een jood die in de fabriek werkte, genaamd Schweitzer, die een goed vakman was. Hij moest zich laten registreren en in die dagen wisten wij wat dat betekende. Dus Tine (die toen de manager was) ging naar het "hol van de leeuw" dat was het Duitse hoofdkwartier in de Euterpestraat (*1) om te vertellen dat wij Schweitzer nodig hadden om de orders van de Wehrmacht uit te kunnen voeren. Het antwoord was: "Als uw bedrijf niet kan functioneren zonder deze jood, dan is er iets mis en zullen wij daar iemand neer moeten zetten om het u te leren ...". Dus dat was dat. Meneer Schweitzer werd afgevoerd en wij hebben nooit meer iets van hem gehoord.

De Duitsers stelden twee van hun mensen tewerk bij Numan's Blikfabrieken. Eén van hen, genaamd Hermann Stöhrig, werd chef de bureau en een ander, genaamd Bielstein, werd chef in de fabriek. Ik beheerste de Duitse taal en kon tevens in die taal stenograferen. Het gevolg was dat ik veel met Herr Stöhrig moest samenwerken. Ondanks alles was hij werkelijk een zeer aardige man.

We kregen soms ook wel eens bezoek van de grote baas uit Duitsland, Herr General-Direktor Dr. Werner Funk. Hij zorgde er o.a. voor dat er in de grote fabriekshal beneden een z.g. "A2 Anlage" werd geïnstalleerd.

Dit was een machine die achter elkaar blikjes uitspuwde voor de Wehrmacht. Deze blikjes werden vervolgens gestuurd naar fabrieken om gevuld te worden met vlees, kaas of ander voedsel bestemd voor de soldaten aan het front. Tine had met enkele van deze fabrieken geregeld dat zij een paar dozijn zogenaamd afgekeurde blikjes zou opsturen die dan, gevuld met hetzelfde eten als de frontsoldaten kregen, naar haar werden teruggestuurd.

Zo kregen we ook gerookte paling (die soms tijdens het vervoer zoek raakte), blikjes room, enz.

De voedselsituatie werd zeer nijpend, vooral tegen het eind van de oorlog - de winter van 1944/45 - de "hongerwinter" zoals deze later werd genoemd. Er waren weliswaar voedselbonnen, maar vaak raakten de winkels uitverkocht. Het kwam zover dat wij alleen maar voedsel konden krijgen bij de gaarkeukens en dat was niet te eten. We kookten suikerbieten, gebruikten de siroop als zoetstof en de pulp als vulling voor de soep van de gaarkeukens zodat deze dikker werd. Van pulp gemixt met wat bloem werden ook afschuwelijk smakende pannekoeken gemaakt.

Sommige mensen vonden toch een manier om aan voedsel te komen en zo werd op een dag door iemand een varkenskop mee naar kantoor genomen. Deze moest gedeeld worden onder de paar mensen die nog over waren en het was erg moeilijk om de kop in stukken te hakken met behulp van zakmesjes!

In de eerste dagen na de bevrijding kregen we nog steeds eten uit de gaarkeukens, hoewel het een ietsje beter werd. De Canadezen verstrekten droge biscuits en melkpoeder en hiervan maakten de gaarkeukens een soort pap, hetgeen we als het meest heerlijke voedsel sinds mensenheugenis beschouwden. Deze biscuits waren verpakt in grote vierkante blikken van ongeveer 50 x 50 x 30 cm en Amsterdamse jongetjes vonden er al gauw een andere bestemming voor. Zij bonden een paar van deze blikken aan elkaar en gebruikten die als bootjes in de grachten.

Mijn broer Jacques was een forse man en gewend aan degelijke maaltijden. Hij kreeg hongeroedeem en zag er uit alsof hij niet lang meer te leven had. Toch herstelde hij, om vlak na de oorlog (in mei 1946) op 48-jarige leeftijd toch te overlijden aan iets geheel anders: niervergiftiging.

Van Joh hoorden wij totaal niets en wij weten nog altijd niet hoe hij de oorlog is doorgekomen. Hij praatte nooit over deze periode.

Er brak een grote staking uit, te beginnen bij de werknemers van de spoorwegen en later onder de tram- en busbestuurders. Duitse soldaten reden mee op de trams om ze rijdend te houden.

Er was een constante stroom van ondergrondse informatie over het verloop van de oorlog, maar het was moeilijk te beoordelen hoe het nu werkelijk ging omdat de nieuwberichten uit Engeland en Duitsland vaak tegenstrijdig waren. En dan waren er natuurlijk de moppen om ons op de been te houden!

Op een oudejaarsavond om twaalf uur 's-nachts kwamen de mensen van de Orteliuskade naar buiten op hun achter-veranda’s en maakten met het tegen elkaar slaan van pannedeksels een vreselijke herrie.

Sommigen gingen het Wilhelmus zingen en iedereen zong mee. Zulke dingen gaven ons mentaal een opkikker, hoewel het nu een beetje vreemd mag lijken.

MEI 1945

(Ik schrijf dit op zoals het gebeurde en probeer iets hiervan weer te geven)

Geruchten en nog eens geruchten! Het wemelt van de geruchten, we merken dit tijdens de laatste oorlogsdagen.

Woensdagavond 02.05.1945.

"De oorlog is voorbij, ja, echt waar, ik heb het van iemand gehoord die het weer van een ander hoorde, die het weer op de radio hoorde.

Morgen zal het officieel bekend worden gemaakt ..."

Donderdag, 03.05.1945.

"Geruchten van vrede zijn volkomen uit de lucht gegrepen"

Vrijdag, 04.05.1945

Nog steeds niets ... de situatie is onhoudbaar.

Mensen worden nerveus en onzeker; willen alles en niets geloven;

durven niets te geloven.

Vrijdagavond:

Ik heb net Paul verzorgd en in bed gestopt (hij is nu 8½ maand) en ik loop rond in een ochtendjas en slippers. Freek en Tine zitten aan tafel.

Ergens roept iemand: "Hoera !!"

"Waarschijnlijk is er iemand in de buurt jarig" zeg ik.

Er lopen nog steeds mensen op straat en het is nu negen uur en we moeten om zeven uur binnen zijn (Sperrzeit wordt dat genoemd), maar dat is niet ongebruikelijk in deze opwindende dagen. We kwamen afgelopen woensdag zelfs om elf uur thuis ...

Er roept een man naar mevrouw Prent, onze benedenbuurvrouw: "Vrede, de oorlog is over! Ja, deze keer is het echt waar!"

Freek en ik springen op en rennen naar beneden naar mevr. Prent. Maar zij weet niet meer dan wat wij de man al hoorden zeggen.

Weer boven gekomen kleed ik mij aan en wij wagen ons met z'n drieën op straat, op naar het Mercatorplein. Op het plein is veel te doen en de mensen sjouwen in de rondte. Het schijnt echt waar te zijn dat de oorlog voorbij is; we kunnen het haast niet geloven!

Jonge mensen, zwaaiend met rood-wit-blauwe vlaggen, komen uit de Jan Evertsenstraat ...

Een man leest luid een bulletin voor van "De Waarheid", de communistische illegale verzetskrant. Hij leest: de legereenheden in Noordwest Duitsland, Nederland, Denemarken en op de Wadden hebben zich onvoorwaardelijk overgegeven, dat betekent: "Nederland is vrij"!

Twijfel je er nu nog aan, vraagt Tine. Ik moet het nu wel geloven.

Thuisgekomen openen we een fles Vermouth, speciaal voor deze gelegenheid bewaard. Aan tafel met ons kleine carbidlampje, terwijl er buiten nog steeds mensen zingen, proosten wij op de start van een nieuw tijdperk ...

Sommige herinneringen uit de oorlog heb ik in het babyboek van Paul geschreven vanaf september 1944 tot mei 1945:

17.09.1944.

Ik kreeg bonnen voor een babymatrasje, twee dekentjes, een babypakket, drie onderleggers, vier lakens en een kussensloop. Toen de baby werd geboren kreeg ik alleen het matrasje en het babypakket (een dozijn luiers, een hemdje en een jasje).

22.10.1944.

Er is geen elektra meer in de stad. We hebben nu een klein carbidlampje, gemaakt door de benedenbuurman, meneer Prent. In vergelijking met de kaarsen die wij eerst hadden was dit een zee van licht.

Freek stond in de rij voor de gaarkeuken van halfnegen tot twaalf uur.

Mensen hakken bomen en schuttingen om, om de kachel te stoken.

Kaarsen kosten tussen de vier en de zes gulden per stuk.

De afgelopen week waren wij op bezoek bij Tante Annie en Oom Joop.

Zij hebben hun eerste kind gekregen, een meisje genaamd Ansje en ze weegt 5½ pond. Nu zijn alle baby’s geboren die dit jaar verwacht werden:

Beppie, Paul, Ansje, Albert en Emmy.

05.11.1944.

Zeeuws Vlaanderen is nu bevrijd van Duitsers en Antwerpen is vrij!

02.01.1945.

We krijgen nu 1¼ brood en 1 kilo aardappelen per week per persoon.

Dat is niet genoeg en de Amsterdammers nemen de fiets, de handkar of gaan soms te voet naar het platteland, soms wel tot Hoorn, om te trachten voedsel te kopen bij de boeren.

08.01.1945.

De situatie wordt hopeloos. Vandaag is de uiterste datum voor mannen in de leeftijd van 16 tot 40 jaar, om zich te melden voor de "Arbeitseinsatz" wat in werkelijkheid deportatie naar Duitsland betekent om te werken in de fabrieken.

Freek heeft besloten zich niet te melden en af te wachten wat er gaat gebeuren. Hij werkt om de week bij de blikfabriek en als het geld om de werknemers te betalen op is zullen hij - en natuurlijk Tine ook - werkloos zijn.

De voedselschaarste wordt elke dag erger en niemand weet hoe het verder zal aflopen. Gisteren kwam er een klein meisje bij ons aan de deur met een briefje van haar moeder waarin zij om eten vroeg. Wij gaven haar een paar aardappelen.

14.02.1945.

Freek ging naar de bakker om zes uur vanmorgen en om halfelf had hij een brood kunnen kopen. Daarna nam ik Paul in de kinderwagen mee en ging in de rij staan om bonkaarten in de leveren voor voedsel dat van het Zweedse Rode Kruis kwam. Ik wachtte van halfnegen tot elf uur toen Freek me kwam aflossen in de rij.

In de namiddag naar de gaarkeuken. Er stond een heel lange rij toen het bericht kwam: "voedsel kan afgehaald worden tussen halfvier en vijf uur".

Het was echter zes uur voordat zij begonnen met uitdelen en om zeven uur kwam Freek met de maaltijd die wij om twee uur hadden moeten hebben!

Tantan had een jasje gebreid voor Paul, maar op de weg van Beverwijk naar Amsterdam verdween het spoorloos. Iemand anders moet het harder nodig hebben gehad dan wij.

Het Zweedse Rode Kruis heeft schepen met voedsel gezonden en gratis zal worden verstrekt: 3 broden, 4 pakjes margarine en ½ pond bonen.

Freek heeft afgelopen week 50 kilo tulpenbollen gekocht voor 1 gulden per kilo.

We roosteren ze op de kachel en ze hebben een pittige smaak.

18.04.1945.

De voedselsituatie is nu zo slecht dat we slechts een half brood per week krijgen en de gaarkeukens zullen volgende week gesloten worden.

Maar ... Arnhem, Assen, Zwolle, Leeuwarden en Groningen zijn bevrijd.

De geallieerden zijn op weg naar Amersfoort!

We moeten het nog een tijdje volhouden; het einde is nabij...

============

 

Zaterdag, 05.05.1945.

Nu voelen we ons echt vrij! De rood-wit-blauwe vlaggen met oranje wimpels wapperen overal. Wij hebben op vrijdag ook onze vlag uit de schuilplaats te voorschijn gehaald en hij wappert nu trots voor ons raam.

Wij hebben dat allemaal 5 jaar lang weggestopt.

 

Zondag, 06.05.1945.

Voor het eerst naar de heilige mis. De kerk is vol en boven het altaar hangt de Nederlandse vlag. Na de mis zet het orgel het Wilhelmus in en alle gelovigen staan op en zingen mee, een heel emotioneel moment.

"Dat ik steeds trouw mag blijven

Uw dienaar t'aller stond

De tyrannie verdrijven

Die mij mijn hert doorwondt.

 

Mijn schild ende betrouwen

Zijt gij O God mijn Heer

Op U zo wil ik bouwen

Verlaat mij nimmer meer.’‘

Dit zijn gedeelten van twee van de vijftien strofen van het Nederlandse volkslied.

Onze nieuwe burgemeester zal op de Dam geïnstalleerd worden. Het is de heer F. de Boer, directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland.

Freek en ik op de fiets - hij trappend, ik achterop - naar de Dam. Toen we daar aankwamen was er echter niets te doen, geen burgemeester, helemaal niets. Dus we slenterden een beetje rond; er waren wel veel mensen op straat maar er was geen feest, geen koninginnedag-sfeertje, dus gingen we maar weer naar huis. Dezelfde middag schoten Duitse SS-officieren die in de Grote Club op de Dam zaten vanuit het raam op de mensen. Er werden negentien mensen gedood en er waren vele gewonden.

Er is zoveel gebeurd en het is heel moeilijk om dat goed op papier te zetten.

Er werden bijvoorbeeld voedselpakketten door geallieerde vliegtuigen met toestemming van de Duitsers naar beneden gegooid voor de van honger stervende mensen in Noord Nederland.

Op woensdag 2 mei hoorden we het geluid van vliegtuigen. We hadden gehoord dat dit zou gebeuren, dus we verwachtten het. Toen zagen we plotseling 10 grote 4-motorige bommenwerpers boven Schiphol die hun vreedzame lading naar beneden gooiden. Nadat we geschreeuwd en gejuicht hadden gingen we weer over tot de orde van de dag. Maar dit was slechts het begin. Diezelfde morgen moeten er ongeveer 200 vliegtuigen zijn geweest en het enthousiasme van de mensen die naar de Orteliuskade kwamen om beter te kunnen zien wat er gebeurde kende geen grenzen.

Het was een magnifiek spektakel!

Jammer was echter dat wij precies wisten wat er in die pakketten zat en hoe lekker dat allemaal was, maar dat we op de 10e mei ons deel nog steeds niet hadden ontvangen.

De voedseldistributie was nog steeds slecht en wij verwachtten dat het nog wel enkele weken zou duren voordat alles weer normaal zou zijn.

Er werd ook begonnen met het oppakken van NSB-ers (Nationaal Socialistische collaborateurs). Zij zullen hun verdiende loon krijgen.

Het duurde tot augustus 1945 voordat de Japanners zich overgaven.

We waren blij dat de atoombom was gevallen (God vergeve ons) omdat dit de oorlog tot een einde bracht; maar toen wisten wij nog niet van de verschrikkelijke verwoestingen en de gevolgen op lange termijn.

Freek maakte zijn eerste reis als marconist naar Canada.

Ik was voor een paar weken bij vrienden op vakantie in Zeist en ik had Paul bij me die in diezelfde maand één jaar zou worden. Ik was nogal ondervoed en de vrienden bij wie ik logeerde probeerden van alles om me een beetje te laten aankomen. Ik woog toen 45 kilo en dat is zeker niet teveel! Omdat er geen openbaar vervoer was reisde ik van Zeist naar Amsterdam in de cabine van een vrachtwagen; in ruil hiervoor gaf ik de chauffeur een paar pakjes sigaretten die Freek had meegebracht uit Canada.

Geleidelijk aan werd alles weer wat normaal.

Vlak na de oorlog waren Tine en wij verhuisd van de Orteliuskade naar Amstelveen naar een groter huis en Tantan - die in de tussentijd met pensioen was gegaan als Hoofd van een meisjesschool in Beverwijk - trok bij ons in. De huur (op de Orteliuskade ¦ 33.- per maand) was hoger in Amstelveen ( ¦ 60.- per maand) maar met het inkomen van drie mensen moest dat wel lukken. Dit gebeurde in 1946 en dat was ook het jaar waarin Jacques stierf.

Toen we naar Amstelveen verhuisden, kocht Tine een piano en ik begon met pianolessen. De pianolerares heette Olga Hoffman. Zij had katten en het rook er altijd naar bleekwater omdat zij de kattenbakken altijd goed schoon hield. De katten kwamen nooit buiten, omdat zij bang was dat de buren zouden klagen. Maar ze was een goede pianolerares.

Mijn buurvrouw, Ida den Besten, nam ook les bij haar. Wij werden, samen met enkele andere moeders van leerlingen, door Olga uitgenodigd voor een kopje koffie en er ontstond een club. Bij toerbeurt kwamen wij iedere week bij elkaar op de koffie. We noemden het de "koffieclub" of soms ook wel de "kletsclub". Het waren gewoon heel aardige, gezellige bijeenkomsten, en ik vond het leuk te praten met deze vrouwen van verschillende achtergrond.

Maar mijn vorderingen op de piano waren niet erg groot, ondanks dat ik het erg graag deed. Om met je dertigste te starten is ook wel een beetje laat ...

In Amstelveen waren we erg gelukkig totdat geheel onverwacht Tine een hartinfarct kreeg, die haar gedeeltelijk verlamde. Het was een grote schok voor ons allemaal. Freek was thuis tussen twee reizen door.

Na slechts enkele weken kreeg zij een tweede infarct en op een morgen in oktober om zeven uur vonden wij haar dood in bed.

Haar dood veranderde ons leven compleet, afgezien van het feit dat zij voor mij een grote leegte achterliet. Zij was pas 55 jaar. Freek vertrok kort na de begrafenis naar Texas van waaruit hij met de tanker "Stanvac Pendopo" naar Indonesië zou gaan. Hij zou 18 maanden wegblijven. Gedurende zijn afwezigheid kondigde Treesje zich aan.

Omdat Tine haar deel niet meer kon bijdragen werd onze financiële situatie precair. Ik besloot één van de grote bovenkamers te verhuren aan een jongeman die bij de KLM werkte en dat scheelde natuurlijk in de huur.

Freek kwam terug en besloot het varen eraan te geven en hij kreeg een baan bij Philips (NSF-Hilversum [Nederlandse Seintoestellen Fabriek]).

Twee jaar na de geboorte van Treesje werd Lucy geboren. Zij werd een dag vóór mijn verjaardag geboren. Ik herinner me nog heel goed dat er die dag gestemd moest worden. Ik was vastbesloten om hieraan gehoor te geven en mijn stem niet verloren te laten gaan. Vlak vóór 12 uur ging ik naar het stembureau (dat vlak in de buurt was) en om twee uur werd Lucy geboren. Paul, Trees en Lucy werden allemaal thuis geboren en de verloskundige was Thea Sam, een nichtje van Tantan, en we kregen voor een week een gezinsverzorgster.

Toen Freek had besloten dat hij een baan aan de wal wilde heeft hij eerst nog overwogen een baan aan te nemen in Indonesië (Nederlands-Indië zoals dat toen nog heette) maar dat ging niet door en dat was maar goed ook, want een paar jaar later werd Indonesië onafhankelijk en waren de Nederlanders daar niet meer welkom.

Dus schreef ik op advertenties uit de krant o.a. naar Philips. Ik schreef dat als zij Freek in dienst zouden nemen zij niet alleen een zeer competente kracht zouden hebben, maar tevens een jong gezin zeer gelukkig zouden maken. Men vertelde Freek later dat men zeer nieuwsgierig was geworden naar de man wiens vrouw zulke brieven schreef. Dus Freek was meer thuis, hoewel hij elke dag op en neer moest naar Hilversum.

HOE FREEK EN IK ELKAAR ONTMOETTEN

Toen ik lid was van Servio hadden we een vergadering van Sobrietas in Blaricum. Ik ging er met een groep meisjes van De Graal naar toe.

Ik had circulaires verstuurd en een kleine groep wilde komen, dus we gingen in onze kleurrijke uniformen per fiets op weg. We hadden een spreekkoor gevormd waarvan Freek Dobber ook deel uitmaakte omdat hij vakantie had van het seminarie. Hij was bij een paar repetities geweest die we wekelijks hadden op de Bloemgracht en we hoorden allemaal zijn vreemde accent. Hij schonk weinig aandacht aan de vrouwelijke leden van Servio.

De uitvoering in Blaricum werd gehouden in een grote schuur omdat de regen met bakken naar beneden viel. Toen we naar huis gingen regende het nog steeds, het was vreselijk. Ik zag de student Dobber op zijn fiets met zijn neus praktisch op het stuur; hij keek niet op of om, en droeg een BB-jack (*2) van zijn broer tegen de regen. We waren allemaal door en door nat toen we thuiskwamen.

Na de vakantie ging Freek terug naar België om zijn studie voort te zetten, tot we van zijn broers hoorden dat hij voorgoed thuis zou komen. Na een poosje kwam hij weer naar Servio. Hij begon met een opleiding voor radiotelegrafist bij Radio Holland, waar twee van onze Servianen - Jan Jaspers en Henk Molenaar - dezelfde opleiding volgden.

Dan was er de Bla-tento, hetgeen betekende de Blauwe Tentoonstelling.

In Holland is het zo dat, als je lid bent van een organisatie die alcohol afwijst, je "van de blauwe knoop" bent. Deze Bla-Tento werd gehouden van 21 tot 24 januari 1939. Freek en ik waren aangesteld om een folderstand te bemannen. We stonden daar elke avond brochures uit te delen aan het publiek. Op de laatste avond, toen bleek dat het veel tijd zou kosten om de boel op te ruimen, stelde Tine voor dat ik naar huis zou gaan. Freek vroeg of hij mij thuis kon brengen en ik zei ja.

We liepen stijfjes en keurig netjes over de Bloemgracht en voordat we aan het eind van de gracht waren stelde hij me "de grote vraag". Ik zei niet onmiddellijk ja; het kwam een beetje onverwacht; ik moest eerst aan het idee wennen.

Toen wij van de Admiralengracht naar de Orteliuskade verhuisden had onze relatie zich verder ontwikkeld tot wandelen in het park, fietstochtjes buiten de stad, enz. Omdat Freek geen cent had was ons vermaak beperkt, maar fietsen in "Gods vrije natuur" kostte geen geld en dat deden we dan ook het meest.

Toen, op 10 mei 1940, brak de oorlog uit en dat zou ons leven compleet veranderen.

Op de 4e november kreeg Freek zijn certificaat 2e klas bij Radio Holland maar hij zakte voor de 1e klas voor zenden en ontvangen in Morse.

Radio Holland stopte met de opleiding en vlak daarna kwam het decreet van de Duitsers dat alle werkloze jongemannen zich moesten melden.

Op 26 april 1942 besloten we ons officieel te verloven. De ringen moesten door mij betaald worden, want Freek had nog steeds geen cent. Hij betaalde me later terug door thuis haarclips te maken en hij betaalde precies op de ochtend van onze verloving.

Op 10 april 1942 stierf meneer Numan en dat bracht vele veranderingen op de zaak met zich mee. Tine vond een mogelijkheid om Freek een baan bij de firma te bezorgen, dus hij hoefde zich niet te melden bij de Duitsers als werkloze jongere en bovendien zou hij iets gaan verdienen.

Dit was geen prettige periode. Freek functioneerde in het begin niet zo goed; deze baan was ook niets voor hem. Dit beïnvloedde onze relatie nadelig.

Na verloop van tijd verbeterde onze relatie en besloten we samen verder te gaan en te trouwen. Dat gebeurde op 22 juni 1943. We zagen eruit als een echte bruid en bruidegom, hoewel mijn jurk was geleend van Tante Annie (Annie en Ries trouwden in 1940) en Freek droeg een gehuurd jacquet met "hoge zijden" en grijze plastron.

De heilige mis was in de St. Augustinuskerk op de Postjesweg (deze kerk, hoewel tamelijk nieuw, is nu verdwenen) en de celebrant was Frater Loos CssR, mijn biechtvader in die tijd.

Ries en Kees stonden op het altaar en mijn broer Joh zong Panis Angelicus en het Ave Maria. Omdat er geen benzine was hadden we geen auto's maar gingen we in rijtuigjes met paarden ervoor. We kwamen te laat omdat er steeds luchtalarm was; het was een prachtige en zonnige dag.

De verdere dag en het trouwdiner werd gegeven bij Siny en Jacques die in een prachtig oud grachtenpand op de Herengracht woonden. Theo had een taart gebakken en dat was heel speciaal want je kon nergens meer ingrediënten krijgen. Helaas kwamen beneden in de keuken de mieren erop af.

We treurden er niet lang over en sneden de slechtste stukjes eraf en aten de rest op!

Tine had veel zakenrelaties en die voorzagen ons van zaken als boter, ossentong, enz. We hebben dus goede herinneringen aan deze dag, gezien de situatie!

We brachten mijn vader terug naar het St. Bernardus in een kleine fiets-taxi en gingen daarna naar de Orteliuskade, die Tine voor ons had vrijgemaakt voor de nacht. De volgende dag vertrokken we naar Ugchelen voor een huwelijksreis van een week. Hoe we daar naar toe zijn gegaan kan ik me niet meer herinneren. Er moeten toen nog wel treinen gereden hebben denk ik. Na de huwelijksreis was het weer werken geblazen; ik heette nu niet meer Juffrouw Jagerman, maar Mevrouw Dobber.

Toen ik in februari zeker wist dat ik in verwachting was zegde ik mijn baan op en op 30 juni 1944 verliet ik Numan's Blikfabrieken. Als afscheidscadeau kreeg ik een prachtige commode gemaakt door de timmerman van de firma. En toen, op 18 augustus 1944 kregen we ons eerste kind, een prachtige jongen. Hij maakte de ergste oorlogswinter 1944/1945 mee, maar hij kreeg borstvoeding en groeide alsof er geen honger en gebrek bestond.

Ik was echter heel, heel zwak en eind 1945 werd ik ziek, maar dat verhaal komt later.

Nu eerst in chronologische volgorde wat er met Freek gebeurde.

Tegen het eind van de oorlog had ik er bij Freek op aangedrongen dat hij contact opnam met Radio Holland. Op een zondag had hij een afspraak op de Weteringschans met directeur Leyenaars. Direct na de oorlog begon hij aan een herhalingscursus bij Radio Holland en op 19 juni 1945 werd hem opgedragen naar Rotterdam te gaan om zich aan te melden.

Uiteindelijk tekende hij op 4 juli een contract met Radio Holland en vertrok met de:

s.s. Tiba 02.07.1945 naar Canada (Montreal)

s.s. Kelbergen 19.08.1945 naar Spanje (Huelva)

s.s. Kelbergen 15.10.1945 naar Spanje (Huelva)

6 reizen in totaal naar plaatsen als Huelva, Cardiff, Hull, Liverpool.

s.s. Stad Maastricht 14.09.1946 naar Calcutta,Bombay,Madras.

s.s. Zaanstroom 03.04.1947 3 reizen naar Ijsland, Faroer, Hull, Immingham.

s.s. Stanvac Pendopo 14.11.1947 naar Indonesië.

s.s. Sibajak 04.06.1949 terug naar huis vanuit Indonesië.

s.s. Ceram 01.09.1949 naar Karachi enz.

Van deze reizen bracht hij veel dingen mee die in Holland nog steeds niet te krijgen waren, zoals luiers voor de baby, slippers voor mij en een babypakje voor Paul. Uit Spanje twee lappen stof om jurken te maken, drie pakjes en twee paar broeken voor Paul, slippers voor Tine en ook bananen, citroenen, sinaasappelen, katoen, garen om sokken en kousen te stoppen en vanuit Sfax (Tunesië) dadels. Hij kocht ook wat kleren voor zichzelf en zag er best knap uit in zijn battledress.

Ik werd echter ziek en de dokter constateerde tyfus. Ik werd onmiddellijk opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis op de isolatie-afdeling voor besmettelijke ziektes.

Ik lag op een grote zaal met ongeveer 30 ernstig zieke vrouwen en kinderen. Een klein meisje van twee jaar riep steeds maar huilend "doosie, doosie", wat doosje op z'n Amsterdams betekent. De zusters begrepen niet wat zij bedoelde, maar haar moeder begreep haar wel en het bleek te gaan om een klein kartonnen doosje waarin ze kleine, gekleurde prullaria bewaarde waarmee zij altijd speelde.

Er lag ook een baby met hersenvliesontsteking die overleed, en drie andere vrouwen die ook overleden in de korte tijd dat ik hier lag. Vreemd genoeg greep dit me niet zo erg aan als het feit dat ik van de zaal af moest en werd verhuisd naar de zaal voor TBC-patiënten. Ik dacht toen echt dat ik hier nooit meer uit zou komen. De reden was echter dat een bekwame, jonge vrouwelijke arts had geconstateerd dat ik geen tyfus had, maar pleuritis interlobaris, zoals dat officieel heette.

Ik bleef ongeveer 6 weken op deze afdeling en mocht toen naar huis onder voorwaarde dat ik voldoende zou rusten en mijn baby niet zou kussen omdat ik tuberculeus was. Dit was geen plezierige boodschap, maar ik was blij dat ik naar huis mocht en na een paar maanden van rust werd ik genezen verklaard maar... ik was vele kilo's zwaarder geworden en mijn kleren pasten me niet meer.

 

EMIGRATIE

Direct na de oorlog werd er veel gesproken over emigratie en Rietje sprak hierover met ons. We gingen naar een film over Australië en zagen kangoeroes en kookaburras, exotische bloemen en gele stranden. Het leek allemaal prachtig en een echt avontuur.

We hoorden echter ook verhalen van mensen die geëmigreerd waren en bij aankomst werden doorgestuurd naar een migrantenkamp. Ik voelde me niet happy bij het idee dat we de zekerheid van een baan en een huis zouden opgeven voor iets als een kamp in een onbekend land. Ik dacht daarom dat het beter was dat Freek een baan zou hebben vóórdat we naar Australië zouden vertrekken. Dus ik kocht Australische kranten, "the Age", enz., die al zes weken oud waren en schreef verschillende sollicitatiebrieven voor banen waarvan ik dacht dat dat wel iets voor Freek zou zijn.

Op één brief - naar de Commonwealth Lighthouse Service - kregen we een reactie in de vorm van een aanbieding als vuurtorenwachter op Tasmanië, onder voorwaarde dat we binnen 12 maanden konden overkomen.

We wisten nauwelijks waar Tasmanië lag en we zochten het op de land- kaart en raadpleegden de Winkler Prins voor informatie, wat niet erg veel was. We besloten echter om te gaan en met deze brief zou het de zaken wat gemakkelijker maken.

Theo en Rietje besloten ook te gaan en wij hoopten dat het mogelijk zou zijn bij elkaar te blijven zodat wij elkaar zouden kunnen steunen.

Op een dag in juli 1952, ik geloof dat het een vrijdag was, kregen we bericht dat er een hut vrij was op het s.s. "Nelly" voor de volgende dinsdag (!). Dat bracht ons in paniek. Sinds wij plannen maakten om te gaan emigreren waren enkele maanden voorbijgegaan en was ik weer zwanger geworden. Dus mijn eerste reactie was om te wachten tot de baby geboren was. Ik was een beetje ongerust om een baby te krijgen in een vreemd land, hoewel ik me later bedacht dat er ook in Australië elke dag baby’s worden geboren en dat dit toch wel in orde zou zijn. Maar ik belde toch de stoomvaartmaatschappij om te informeren of er een andere mogelijkheid was, maar men deelde mede dat, als wij van deze gelegenheid geen gebruik maakten, we weer onder aan de lijst zouden komen te staan. De man aan de telefoon zei: "Het is in ieder geval veel makkelijker om nu te reizen, dan met een pasgeboren baby". Dit leek me wel een redelijk argument, hoewel ik later anders dacht over het "makkelijker reizen" omdat ik gedurende praktisch de gehele reis zeeziek was.

Diezelfde vrijdagmiddag kwam Ted de Roos op de fiets ademloos vragen of wij ook een zelfde brief hadden ontvangen als zij.

Theo en Rietje besloten zelf in te pakken, maar wij vonden het beter dit door professionals te laten doen. Wij selecteerden de dingen die wij wilden meenemen en zij pakten alles in en verzorgden tevens alle formaliteiten voor ons.

Ik had al contact opgenomen met de vrouw van de beheerder op Eddystone Point en wist dat het niet nodig was om meubilair mee te nemen. We zouden een gemeubileerd huis toegewezen krijgen. Andere informatie bleek niet waar te zijn, namelijk dat het niet toegestaan zou zijn om kleden en matrassen in Australië te importeren, dus dat hadden wij allemaal achtergelaten. We wilden onze piano meenemen en al onze boeken.

We hadden de beschikking over een ruimte van 3½ m³ op het schip en de firma die onze spullen had ingepakt presteerde het hiervan één groot pakket te maken.

Vrienden en relaties kwamen gedag zeggen. Wat er met het meubilair is gebeurd weet ik niet; sommige dingen werden verkocht, andere dingen werden door mensen meegenomen.

Toen wij voor de eerste keer terugkwamen in 1974, zag ik bij Carla het kleine boekenkastje dat ik thuis op mijn slaapkamer had. Het is een dierbaar object in haar huis.

Tijdens de laatste paar dagen zorgde Ida den Besten voor de maaltijden en wij hadden onze bedden nog om in te slapen. Niek den Besten bracht ons met zijn auto naar Rotterdam waar wij moesten inschepen en Tantan ging met ons mee om ons uit te zwaaien. Ik kan me niet meer herinneren wat er gebeurde, behalve dat het Wilhelmus werd gespeeld door de luidsprekers.

De "Nelly" was een troepentransportschip dat was aangepast (niet veel) om ook immigranten mee te nemen naar Australië. Het was een afschuwelijk schip.

Freek en Paul sliepen in een slaapzaal met 75 mannen en ik sliep in een 12 persoons hut met de twee meisjes. Omdat ik in deze tijd ongeveer vijf à zes maanden zwanger was, was ik praktisch de gehele reis zeeziek. Ik kreeg mijn maaltijden meestal in de hut, hoewel dit eigenlijk niet mocht, maar van de lucht van die vreselijke eetzalen werd ik al misselijk.

Het leven aan boord was te vergelijken met dat in een vluchtelingenkamp. Ik had er een vreselijke tijd vanwege mijn zeeziekte, maar de anderen amuseerden zich met kaarten, dansen en andere spelletjes. Er waren speciale activiteiten voor de kinderen en Paul deed mee in een uitvoering van "Repelsteeltje". Trees was altijd de hort op en meestal moesten wij in alle hoeken en gaten zoeken om haar te vinden. Ze weigerde om in de speelruimte te blijven met andere kinderen. Zij en Lucy waren nog kleuters en soms hadden zij een "ongelukje" zodat wij (Rietje en ik) de was moesten doen in de primitieve wasgelegenheden van het schip.

Géén weggooi-luiers in die dagen!

We voeren via Kaapstad vanwege de stalen romp van het schip, die niet geschikt was om mee door de tropen te varen.

We mochten hier van boord en het opmerkelijke was dat ik van mijn zeeziekte af was zodra ik vaste voet aan wal zette. Ik herinner me niet veel van Kaapstad, hoewel het onze eerste kennismaking was met de apartheid zoals wij zagen op gebouwen, telefooncellen, enz. waarop stond: "alleen voor blanken" of iets dergelijks.

We kregen daar ook onze eerste milkshake, vooral bij de kinderen heel favoriet. Freek had nog wat engels geld overgehouden van zijn reizen en dat konden we daarvoor gebruiken! Ik herinner me ook nog een prachtig park waar we tamme eekhoorns zagen.

Daarna terug naar het schip en op naar Fremantle, waar immigratie-autoriteiten aan boord kwamen en formulieren moesten worden ingevuld.

Ik ondertekende een formulier voor kinderbijslag met T. Dobber-Jagerman, zoals ik gewend was, maar dat accepteerden ze niet en streepten "Jagerman" door.

Paul vierde zijn achtste verjaardag aan boord en wij gaven hem zijn cadeau (een meccanodoos) dat we hadden meegenomen uit Holland.

Eindelijk arriveerden wij dan in Melbourne en werden opgevangen door iemand van het departement. Wij werden meegenomen naar een migranten- hotel, ergens in de buurt van het Tentoonstellingsgebouw. We kregen £ 50 "landingsgeld" en we moesten dat gebruiken om matrassen te kopen omdat wij die thuis hadden gelaten. Hierdoor hielden wij niet veel over, maar wij konden levensmiddelen bestellen bij Mr. Twist (Green's in Williamstown) die de vaste leverancier was van vuurtorens en hij gaf ons krediet totdat het eerste loon binnen zou komen.

Al onze spullen werden verzonden met de "Cape York", maar onze grote kist zou een paar weken later komen.

Wij moesten naar Cape Schanck dat we over land konden bereiken en we zouden in de gelegenheid zijn om te winkelen in Rosebud.

Dus we gingen op pad, het grote avontuur tegemoet!

Het was compleet anders dan het leven dat we gewend waren, elektriciteit van een dynamo, koken op een hout gestookte oven, heet water in de ketel voor baden en wassen. Ik had geschreven naar de correspondentieschool voor lessen voor Paul en zij hadden een cursus speciaal voor immmigrantenkinderen, die eerst engels moesten leren voordat zij de normale schoollessen konden volgen.

Mijn tijd voor de bevalling naderde, dus we besloten het departement te vragen of Tante Rietje en Beppie bij ons mochten logeren voor de tijd dat ik in het ziekenhuis lag en dat werd toegestaan. Dus op een dag werd er op de deur geklopt en een taxichauffeur zei: "Ik heb hier een jongedame en een kind voor u" en daar waren ze. Het was heel goed voor me om deze laatste weken iemand bij me te hebben. Op een avond voelde ik dat mijn tijd gekomen was en we lieten een taxi komen uit Rosebud om ons op te halen. We moesten naar Dromana, het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Ik was daar al een paar keer naar de dokter geweest met de dame van de vuurtoren (Mrs. Gledhill) dus ik kende de dokter. Hij was er echter niet toen de baby kwam, dus de zusters hebben het kind gehaald. Alles ging goed, hoewel ik in het begin moeilijkheden had met het verstaan van de ziekenhuistaal, maar dat was gauw voorbij. Men was verrast dat ik redelijk goed engels sprak na een verblijf van slechts 6 weken. Ik had een leuke tijd in het ziekenhuis, luisterde naar de radio, hoorde dat Eisenhower gekozen was tot president van de Verenigde Staten en dat was groot nieuws.

Freek bezocht de priester in Dromana en toen we het ziekenhuis verlieten moesten we de kleine heiden eerst laten dopen, voordat we naar huis gingen.

Toen Marc 4 maanden was, werden we overgeplaatst naar Eddystone Point in Tasmanië. We gingen met de "Cape York" en we genoten van deze reis. Marc sliep in onze hut in een klein zitje dat makkelijk tot een klein bedje gemaakt kon worden door een plank ertegen te plaatsen zodat hij er niet uit kon vallen. Lucy was favoriet bij de stuurman; hij nam haar overal mee naar toe, zij mocht zijn vislijn vasthouden enz. Hij zei dat zij hem deed denken aan zijn eigen dochtertje.

Het leven in Eddystone was erg goed. Het was voor Freek een compleet nieuw leven omdat hij hout moest hakken, de vuurtoren moest schilderen (op Cape Schanck), de lenzen moest poetsen en 's nachts de wacht moest houden.

Ik moest ook veel werk doen dat ik nog nooit eerder had gedaan, zoals broodbakken, de tuin bijhouden, Paul lesgeven en later Beppie en de andere meisjes. Maar er was geen afleiding zoals naar de bioskoop gaan of winkelen en als de kinderen in bed lagen had ik voldoende tijd om te lezen en brieven te schrijven.

We bleven drie jaar in Eddystone en één keer hebben we een vakantie met Theo en Rietje doorgebracht die in een oude boerderij in Broadmeadows buiten Melbourne woonden.

Ik gaf Paul een jaar les (3e klas) en toen hebben wij hem op kostschool gedaan in Hobart op het St. Virgil's College. Hij was meteen de beste van de klas en deed het over het algemeen erg goed op school.

Toen begon ik Trees en later Lucy schriftelijk onderricht te geven in "de drie R's".  (*3)  Ik had een levendige correspondentie met de leerkrachten die zelfs voor mij boeken en een woordenboek kochten als cadeautjes voor de kinderen als ik ze het geld stuurde.

Wij brachten drie jaar door in Eddystone Point. Rietje logeerde geruime tijd bij ons en ook Beppie bleef een aantal maanden tot zij zich vestigden in Launceston waar Theo een banketbakkerij begon. Dit gaf ons de gelegenheid weg te komen van de vuurtoren en te verhuizen naar Launceston. Wij vonden het leven heerlijk bij de vuurtoren, maar wij wilden niet al onze kinderen naar kostschool sturen.

Wij namen een melksalon over op Invermay Road en hielden het daar negen maanden uit met zeer onbevredigende woonruimte. Gelukkig slaagde Freek erin een baan te vinden bij de PMG (zoals het toen heette) als leerling-technicus.

Van Invermay Road verhuisden we naar Reesstreet waar we erin slaagden een oud huis voor £ 1600 te kopen dat we gelukkig voor dezelfde prijs weer konden verkopen. Onze volgende standplaats was Ross Avenue (£ 3300). Dit was een veel beter huis, de kinderen hadden meer ruimte.

Paul ging naar het St. Patrick's College en de meisjes (en later ook Marc) naar St. Finn Barr's Primary School.

In 1965 verhuisden we naar Hobart omdat Freek zijn Diploma Course moest afmaken aan de Universiteit.

In deze periode was Trees in "Matric", Lucy in haar derde jaar, Marc eerste jaars en Philip begon op "Mary Help of Christians" in Lenah Valley.

***

 

Tot zover de biografie van Tante TINY.

Nogal een abrupt einde; wellicht komt er ooit nog eens een vervolg? - ev.

***

 

APPENDIX

Onderstaand "gedicht" leerde ik van mama toen ik een jaar of vijf was.

Zij droeg dit altijd (op mijn verzoek) voor als zij stond te strijken!

Ik leerde het van haar toen we nog op de Beukenweg boven de winkel woonden.

Mama leerde dit gedicht van haar moeder, die het op haar beurt weer op de lagere school had geleerd.

Het is dus al behoorlijk oud en dateert uit medio de vorige eeuw.

Ik heb het opgeschreven om het voor jullie en voor mij niet verloren te laten gaan.

Ik hoop dat ik jullie er een plezier mee heb gedaan.

Pauli v.d. Wakker - Hulscher,

dochter van To Hulscher-Jagerman en Louis Hulscher.

 

(P.S. Saillant detail: Mama heeft dit vers nog kort voor haar dood helemaal kunnen opzeggen; het zat nog feilloos in haar geheugen!)

 

IK HEB ONLANGS EEN DROOM GEHAD

DIE ZAL IK NOOIT VERGETEN.

HET WAS OF IK MIJ GEHEEL VERGAT

EN MIJ PRINSES LIET HETEN.

IK ZAT DAAR OP EEN FRAAIE TROON

OMRINGD DOOR STAATSDIENAREN

EN OP MIJN HOOFD EEN GOUDEN KROON

IK HAD KRULLEN IN MIJN HAREN.

IK HOORDE SPREKEN VAN DINER

EN DACHT: WAT ZAL DAT WEL WEZEN.

IK KEN VAN HET FRANS GEEN A.B.C.

NOG MINDER WOORDEN LEZEN.

JUIST ZOU IK TOEN AAN TAFEL GAAN

OF OCH, IK WAS BEDROGEN.

MEN WEKTE MIJ OM OP TE STAAN

IK OPENDE MIJN OGEN

EN MOEDER RIEP: KOM JANS, 't IS TIJD,

HOOR EENS DE VOGELS FLUITEN.

STA SPOEDIG OP EN NA 't ONTBIJT

MET ONZE KOE NAAR BUITEN.

IK SLIEP WEER IN EN HOORDE TOEN:

KOM JANS, MOET IK JE HALEN?

IK DACHT ME WAT TEGOED TE DOEN

EN RIEP: OH, WAT EEN SCHALEN!

TOEN KWAM VADER MET DE BIETS

EN SPRAK: IK ZAL JOU LEREN.

WAT JIJ DAAR DROOMT DAT HELPT ONS NIET

VOORUIT, SPOEDIG IN DE KLEREN!

TOEN MOEST ONS PRINSES MET KLOMPEN AAN

DOOR HET NATTE GRAS GAAN DRAVEN.

EN SOMTIJDS BIJ EEN BEEKJE STAAN

OM 't DORSTIG DIER TE LAVEN.

 

TOCH WIL IK NU HET KONINGSCHAP

VOOR HET HEMELRIJK NIET RUILEN.

WAAR MEN SOMS MET EEN DIEPE ZUCHT

VOOR 't WETBOEK ZIT TE PRUILEN.

IK BREEK MIJN HOOFD NIET BIJ DE WET

IK LAAT EEN ANDER ZORGEN.

VERDIEN IK GEEN GELD IN 't KABINET

DAN ZAL MEN MIJ WEL BORGEN.

EEN EERLIJK EN GODSDIENSTIG MENS

HEEFT NOOIT VOOR IETS TE VREZEN.

HET GAAT WEL ALTIJD NIET NAAR WENS

VOLMAAKT KAN HET OOK NIET WEZEN.

 

DAARBOVEN IN HET HEMELRIJK

DAAR IS EENS MIJNE WONING.

DAAR IS HET VOOR GEEN PRINS TE RIJK,

NIET VOOR DE RIJKSTE KONING.

NU NOG EEN WEINIG VOORTGETOBT

MAAR TOCH, IK ZAL ER KOMEN.

IN EEN DING HEB IK MEZELF GEFOPT

NOOIT ZAL IK MEER ZO DROMEN.

DAN LEEF IK VROLIJK FRIS EN VRIJ

MET MIJN KOETJES IN DE WEI.

 

***

*1. Vanwege de reputatie direkt na de oorlog omgedoopt in Gerrit van der Veenstraat - wv   (terug naar boven)
*2. BB = Bescherming Burgervolking - wv   (terug naar boven)
*3. The three R's = reading, (w)riting, rithmetic; lezen, schrijven, rekenen (als minimum van onderwijs) - wv.   (terug naar boven)


Terug naar homepage . . .

naar Englese versie . . .

naar verkortte Nederlandse versie met plaatjes . . .

bovenop deze pagina . . .